Column

Benepen Friezen en de 11 fonteinen

Joyce Roodnat

Van Friesland kreeg kunstcritica Anna Tilroe het verzoek een kunstproject te organiseren, om ‘Leeuwarden Culturele Hoofdstad van Europa 2018’ luister bij te zetten. Moet je net haar hebben. Ze denkt groot en ‘kan niet’ kent ze niet. Ze kwam met een schitterend idee. Niks is er Frieser dan water, of het moet de Elfstedentocht zijn. Dus plande ze in elk van die elf steden een fontein en tacklede ze elf kunstenaars, en niet de minsten, om er een te ontwerpen.

Je denkt: de Friezen zijn door het dolle van trots. Maar nee, Friesland reageert heel erg, nou ja, Fries. De mienskip vraagt waarom er geen Friese kunstenaars bij zitten? En waarom de titel ‘11 Fountains’ is, in het Engels? Hoe benepen, hoe benard. Hoe jammer.

En waarom? Neem Napels. Dat heeft geen beste reputatie. Misdaad, vuilnis. Maar het heeft ook zijn twaalf ‘stazioni dell’arte’, metrostations vol hedendaagse kunst. Van de Iraanse Shiran Neshat, de Zuid-Afrikaan William Kentridge, de Amerikaan Robert Wilson en van nog een massa groten der aarde. De Napolitaanse metroreizigers passeren hun werken dagelijks en bij duizenden. Omarmen ze. Houden ervan.

Hoe benepen steekt Friesland hierbij af. Ze poseren daar in een verdomhoekje dat helemaal niet bestaat. Friesland heeft hooggewaardeerde kunstenaars en geweldige musea. Friesland heeft Oerol. Friesland bracht de dichter Tsjêbbe Hettinga voort (Lees Het vaderpaard!). En als Friesland bij zinnen komt, zal het de wereld in 2018 versteld doen staan met zijn elf-fonteinen-tocht.

Maar nu ben ik in Drenthe. In Eelde-Paterswolde. In museum De Buitenplaats, zie ik tekeningen van de Overijsselse kunstenaar Arno Kramer. Hij tekent wat hij denkt dat hij ziet. Vooral Kramers hazen zijn ongelooflijk. Hazen kun je helemaal niet tekenen, hazen bestaan niet op het netvlies. Hazen zijn namelijk een flits. Kramer pruttelt de haasvorm met houtskool op papier. Aquarelsporen verlengen de hazenpoten. Vorm plus snelheid, dat is de haasheid. De tekeningen echoën prehistorische grottekeningen, niet letterlijk maar in hun woordloze taal. Je vermoedt symbolen, ziet codes, begrijpt wat je niet kunt zeggen:

Kunst doet niet aan grenzen. De taal van de kunst verslaat het esperanto met stukken. In de Amsterdamse galerie Biederberg zie ik werk van de Canadese kunstenaar Shary Boyle. Met haar porseleinen sculpturen reageert ze op de 18de-eeuwse Meissen-figuren uit Dresden. Ik zie een precair porseleinen handje. Een adder windt zich om de pols en kruipt langs de wijsvinger omhoog. Langs delicate, afgebeten nageltjes. Twee kanten van de wereld, twee eeuwen. Ze vervloeien, ze spreken. Met elkaar. En met mij, de Dritte im Bunde.