Recensie

Ze probeerden met briefkaarten de Duitse oorlogsmachine te stoppen

Alone in Berlin biedt een genuanceerd perspectief op het leven in nazi-Berlijn. Alleen de boekverfilming levert een weinig spannende film op.

Het verzet van de Duitse Otto en Anna Quangel (Brendan Gleeson en Emma Thompson) begint nadat hun zoon is gesneuveld aan het front.

Terwijl ze door de muren van hun kale appartementje horen hoe op straat en door hun buren de overgave van Frankrijk wordt gevierd, krijgen de Duitse Otto en Anna Quangel (Brendan Gleeson en Emma Thompson) een brief waarin staat dat hun enige zoon aan het front is gestorven. Zonder dat ze er veel woorden aan vuil maken, beginnen de hoofdpersonen van Alone in Berlin vervolgens hun kleine verzet tegen het naziregime. Ze schrijven anonieme briefkaarten waarin ze het beleid van Hitler hekelen en oproepen tot verzet. De kaarten laten ze achter in Berlijn in de hoop dat de oorlogsmachine tot stilstand zal komen als steeds meer mensen net als zij een kleine hoeveelheid „zand in de motor” strooien. De tragiek van dit waargebeurde verhaal is dat de kaarten door angstige stadsgenoten bijna allemaal worden ingeleverd bij de Gestapo.

Alone in Berlin is gebaseerd op de roman Jeder stirbt für sich allein van de Duitse Hans Fallada (pseudoniem van Rudolf Ditzen) uit 1947. De succesvolle auteur die zijn leven lang worstelde met mentale problemen en verslavingen, kreeg na de oorlog het gerechtelijk dossier over het echtpaar toegespeeld door de latere minister van Cultuur van de DDR, met het verzoek „de grote roman over de kleine man in oorlogstijd te schrijven”. Het zou Fallada’s laatste boek worden; drie maanden na het inleveren van het manuscript in 1946 bezweek hij aan zijn morfineverslaving.

Grondig herschreven

De versie die vlak na Fallada’s overlijden verscheen werd door de uitgeverij in de Russische sector van Berlijn grondig geredigeerd. Zo paste het niet in een roman over verzet, dat Anna vrijwillig lid is van de nationaal-socialistische Vrouwenbond die werkweigeraarsters opspoort. De nieuwe film is gebaseerd op het originele manuscript dat in 2010 in de archieven van de uitgeverij opdook, hoewel regisseur Perez weinig aandacht besteedt aan het ambigue en daardoor interessante karakter van deze ‘kleine helden’.

De trailer.

Dat de auteur waarschijnlijk zelf had toegestemd met de aanpassingen van zijn uitgever, blijkt uit de biografie Alles in mijn leven komt terecht in een boek van de Nederlandse Anne Folkertsma uit 2015, die leest als een tragisch relaas over zelfdestructie. Fallada sloot tijdens zijn leven geregeld compromissen met het bewind om te kunnen blijven schrijven: zowel met de nazi’s als met de Russen na de oorlog.

Volgens Folkertsma bleef Fallada tijdens de oorlog in Duitsland omdat hij bang was dat in ballingschap zijn schrijverschap zou afsterven. „Uit een later gepubliceerd dagboek blijkt dat hij geloofde dat hij in het Derde Rijk onder de radar kon blijven door zich terug te trekken en onschuldige verhalen te schrijven.” Zo publiceerde Fallada kinderboeken en konden zijn sociaal-kritische romans lang in druk blijven doordat hij er nazi-gezinde voorwoorden bij schreef. Folkertsma: „Geleidelijk werd hij steeds meer speelbal van het nazi-regime. De auteur walgde van zijn eigen compromissen.”

Fallada’s positie tijdens de Tweede Wereldoorlog was een van de redenen dat hij internationaal in vergetelheid raakte, hoewel zijn werk tijdens zijn leven in binnen- en buitenland erg succesvol was. Kleiner Mann – was nun? uit 1932 werd in Hollywood verfilmd. Na de oorlog werd Fallada alleen nog gelezen in de DDR en West-Duitsland. Tot Fallada’s verzetsroman negen jaar geleden opnieuw werd gepubliceerd door een Franse uitgever en vervolgens internationaal een succes werd. Alleen in Berlijn werd in tientallen talen herdrukt en stond overal in bestsellerlijsten.

Genuanceerd perspectief

Fallada biedt een genuanceerd perspectief op het leven in nazi-Berlijn. Hij beschrijft niet het zwart-wit, maar de talloze schakeringen daartussen, wat hedendaagse lezers aanspreekt. Een totaal paranoïde samenleving schetst hij: iedereen verraadt er iedereen en leeft permanent in angst.

De schrijver vond de verzetsdaden van de Quangels (of Hampels zoals ze in het echt heetten) zelf te treurig en te droog om een volledige roman over te schrijven. Hij besloot het stel te omringen met uiteenlopende figuren, die elk op hun eigen manier proberen te overleven: een wijze rechter die een joodse buurvrouw helpt onderduiken, maar ook talloze figuren die floreren binnen het nazi-bewind, zoals de pathologisch liegende echtgenoot van hun postbode.

Fallada heeft om uiteenlopende redenen vastgezeten: van verduistering tot het doden van zijn beste vriend tijdens een dubbele zelfmoordpoging. Hij nam de onderbuik van de samenleving van dichtbij waar en kon die smakelijk beschrijven. Alleen komt dit aspect in de film nauwelijks naar voren: de nevenpersonages komen onvoldoende tot leven om de ieder-voor-zich-sfeer van de roman op te roepen.

Filmisch is het logisch te focussen op het oudere echtpaar en de inspecteur (Daniel Brühl) die op hen jaagt. Jammer genoeg levert het plaatsen van ansichtkaarten een weinig spannende film op. Bovendien helpt het niet dat de Quangels geen hoger opgeleide, eloquente figuren zijn. Het maakte hun acties in realiteit des te aangrijpender, maar in de film doen de paar zinnen die ze tegen elkaar uitspreken om hun motieven toch enigszins te verduidelijken soms krampachtig aan. De keuze om Gleeson en Thompson Engels met Duitse tongval te laten spreken, helpt ook niet. Al is het wel te danken aan het acteerwerk van deze twee dat de stille strijd van dit echtpaar alsnog ontroert.