Commentaar

Lang leve de onzichtbare koning

Eén van de belangrijkste verdiensten van de deze donderdag vijftig jaar geworden koning Willem-Alexander is dat het land weinig van hem heeft gemerkt sinds hij op 30 april 2013 werd ingehuldigd. Gelukkig maar, want zo hoort het ook. Dit klinkt negatief, maar bedoeld is dat de koning de afgelopen vier jaar er blijk van heeft gegeven zijn, ingewikkelde en niet door hem zelf gekozen, plaats in het staatsbestel te kennen. Een meer dan ooit bescheiden plaats ook. Zelfs de rol bij de kabinetsformatie is het staatshoofd sinds 2012 afgenomen.

Bij zijn aantreden wees Willem-Alexander erop dat het koningschap „niet statisch” is. „Iedere Koning geeft een eigen invulling aan het ambt”, zei hij in zijn toespraak tot de Staten-Generaal. Die andere invulling heeft vooralsnog niet geleid tot fricties met de ministers die volgens artikel 42 van de Grondwet geheel verantwoordelijk zijn voor zijn daden. Koning Willem-Alexander heeft zich op zijn manier begeven binnen de secuur gebaande paden. ‘Koningskwesties’ of staatkundige incidenten zijn het land tot nu toe bespaard gebleven.

Er is natuurlijk het met terugwerkende kracht steeds pijnlijker glas bier dat hij begin 2014 tijdens de Olympische Spelen dronk met de Russische president Poetin in Sotsji. Maar dit was ministerieel volledig afgedekt. Voor omstreden partnerkeuze, in het verleden vaak bron voor veel ophef, zijn de kinderen van Willem-Alexander en koningin Máxima nog te jong. De inmiddels vier door hem gehouden kersttoespraken – traditioneel ruimte biedend voor iets koninklijk eigens – veroorzaakten weinig rimpelingen in de vijver van de Nederlandse consensus.

Continuïteit als symbool van het koningschap stond de voorbije jaren bij Willem-Alexander voorop. De vorm is misschien soms iets anders – als hij in het buitenland verblijft tekent de Koning wetten en Koninklijke besluiten op zijn tablet en de ‘koekhapfactor’ bij koningsdag is verder afgenomen. In de kern wijkt de uitoefening van zijn taak in weinig af van die van zijn moeder. Wederom: gelukkig maar.

Van een fundamentele modernisering van het koningschap is weinig gebleken. Altijd weer is er de wens, in het bijzonder van de kant van de media, tot meer openheid van de koning. Het is een onmogelijke wens, want openheid is nu juist iets wat de koning gegeven zijn staatsrechtelijk bepaalde, ingesnoerde positie niet is gegeven.

Authentiek blijven. Dat was koning Willem-Alexanders voornemen toen hij aan zijn taak begon. Maar authentiek is in zijn functie wat anders dan bij anderen. Zoals zijn moeder Beatrix in 1988 in een interview met Hella Haasse bij háár 50-ste verjaardag zei: „het is niet mogelijk in onze functie gewoon te zijn.” Dit is voor Willem-Alexander niet anders. En het zal ook een gegeven zijn voor zijn dochter prinses Amalia, wier toekomst ook al sinds haar geboorte vastligt.

Het koningshuis kan in Nederland nog altijd op brede steun rekenen. De verbindende rol die de koning is toebedeeld, heeft Willem-Alexander probleemloos van zijn moeder overgenomen. Dit element vormt tevens het bestaansrecht voor de monarchie als instituut. Een instituut dat met zijn systeem van erfopvolging al lang niet meer van de huidige tijd is.

Het koningshuis bestaat nu eenmaal en Willem-Alexander heeft zich op kundige wijze in zijn opdracht geschikt. „Wie ben ik dat ik dit doen mag”, luidden de beroemde woorden van zijn grootmoeder Juliana bij haar inhuldiging in 1948. Maar wie zijn wij die dit aan iemand vragen?