‘Ik laat kijkers voelen hoe het is om mens te eten’

Julia Ducournau In haar sensationele debuutfilm Raw ontdekt een vegetariër het kannibalisme. „Het doseren van de gore was een delicate kwestie.”

Vegetariër Justine (Garance Marillier) ontdekt tijdens haar ontgroening de verlokkingen van het vlees.

‘Wacht, vraagt u mij dit nou omdat ik een vrouw ben?” Regisseur Julia Ducournau (34) kijkt me wantrouwig aan. Ik vroeg haar of de opnames van haar kannibalenfilm Raw emotioneel waren geweest. Omdat ik had gelezen over „therapeutische schreeuwpartijen” met haar piepjonge hoofdrolspeler Garance Marillier en acteurs die huilend in de nacht verdwenen.

Ah, die verhalen. Ducournau knikt gerustgesteld. „De opnames waren intens, na afloop was ik fysiek gesloopt. Dat eerste feest, met driehonderd man, rookkanonnen én dialogen: dat was zulke precieze choreografie. Eén fuck-up en we konden opnieuw beginnen, en elke take kostte minimaal een uur. Na afloop hebben we als idioten gedanst en ons laveloos gezopen.”

Lees ook de recensie: De kannibaal in ons omarmd

Alles rond Julia Ducournaus sensationele debuut Raw is intens, en zijzelf ook. Ze is in het zwart gehuld, heeft zwartgelakte nagels en aan elke vinger een zilveren ring met forse steen, alsof ze twee boksbeugels draagt. Ik spreek haar in Brussel, een maand eerder zag ik haar in Parijs een zaal vol filmcritici van middelbare leeftijd vloeren. „Ik ben verknocht aan horror sinds ik als zesjarig meisje voor het eerst The Texas Chainsaw Massacre zag”, introduceerde zij zich daar. „Het fascineerde me, ik dacht dat Leatherface met zijn kettingzaag en masker van mensenhuid een clown was.”

Bot, nagel, eeltig vel

Raw, verstopt in het bijprogramma Semaine de la Critique, was vorig jaar dé ontdekking van Cannes. Een film over de brave vegetariër Justine die als eerstejaarsstudent diergeneeskunde tijdens haar ontgroening ontwaakt voor de verlokkingen van het vlees. Een feministische fabel die je bijna fysiek raakt – in Parijs en Toronto moesten ambulances uitrukken voor flauwgevallen kijkers.

Sensationele publiciteit waarop Durcournau bepaald niet zit te wachten. „Zo krijg je de indruk dat Raw martelporno is, een bloedbad. Dat is niet zo.”

Elke zaal trekt wit weg als Justine op haar eerste vingertje knabbelt, merk ik op. „Heel bescheiden, dat hadden ook darmen, hersenen of billen kunnen zijn”, zegt ze. „ Ik geloof dat die scène mensen zo raakt omdat iedereen wel eens op een vinger heeft gezogen of op een nagelriem heeft gebeten. Je weet dus wat zij proeft: bot, nagel, eeltig vel, een rafeltje vlees. Ik neem je mee in Justines ervaring, dat soort fysieke contactpunten zoek ik bewust.”

Ontsnapt aan de hokjes

Julia Ducournau is een Parisienne, dochter van een dermatoloog en een gynaecoloog. Afgestudeerd in de literatuur deed ze de opleiding scriptschrijven van filmschool La Fémis en was ze scriptdoctor. Tot haar korte film Junior in 2011 in Cannes de debutantenprijs won en ze een speelfilm mocht maken. Dat het horror zou zijn – in Frankrijk een zeer marginaal genre – leed weinig twijfel.

Als tiener ontdekte ze de body horror van David Cronenberg. „Een enorme shock. Zijn klinische, heldere benadering van het lichaam sprak me enorm aan. Mijn ouders zijn beiden dokter, dus die onthechtheid over de dood kwam mij bekend voor. Zelf ben ik vreselijk bang, in de bioscoop zit ik echt te gillen bij horror.”

De trailer van Raw.

Met de (vroege) Cronenberg heeft Raw veel gemeen: een fixatie voor fysieke metamorfoses en lichamelijkheid, een voorliefde voor ‘brutalistische’ betonarchitectuur. Maar anders dan de kille vervreemding van Cronenberg is de sfeer van Raw verzengend emotioneel.

De kiem voor Raw werd ooit gelegd in een brainstormsessie: over welk monster zou zij ooit een speelfilm willen maken? Vampier, zombie, kannibaal? „Mijn idee was al heel vroeg: een coming-of-agefilm waarin een zestienjarige vegetariër tegelijk met haar seksualiteit het kannibalisme ontdekt. A vegan is a virgin.”

Toch kostte het script haar drie jaar. „Ik wilde mijn eigen mutant maken, een wild beest dat ontsnapt aan de hokjes waarin jullie filmcritici haar opsluiten. Dat is een balanceeract, je moet telkens weerstand bieden: ‘Julia, bedenk hier een verlossende grap, anders wordt het te grimmig. Julia, het moet horror worden, coming of age, tienerfilm.’ Nee, vertelde ik mezelf dan: de logica van elke scène komt voort uit het verhaal en de personages zelf.”

Bloedig en ondraaglijk

Ze vindt Raw ook geen kannibalenfilm. „Kannibalenfilms gaan over het slachtoffer, de angst te worden opgegeten. Kannibalen zijn dan ‘hen’: aliens, zombies, een stam in de Amazone. Mijn uitdaging was een kannibalenfilm in eerste persoon. Lastig, want kannibalisme stoot mensen enorm af. Maar kannibalen bestaan echt, er kan er straks zomaar één tegenover u in de trein zitten.

„Hoe krijg ik u zover zich met een kannibaal te identificeren? Je kan Justine moeilijk in het eerste shot met haar gezicht in iemands buikholte tonen, kauwend op darmen. Dan ben ik de kijker kwijt. Maar ik kan ook niet om de hete brij heen draaien, het gaat over eten van mensenvlees. Het doseren van de gore was een delicate kwestie.”

De onsmakelijke ontgroening waarmee Raw begint, bleek essentieel: als Justine gedwongen een rauw konijnenniertje moet eten, ontwaakt het kwaad. „Dat maakt Justines kannibalisme ook tot opstandigheid tegen absurde groepsdruk en het establishment. Jullie willen mij temmen? Ik laat mij niet temmen. Al moest ik die ontgroening later afzwakken: het werd zo bloedig en ondraaglijk dat het kannibalisme er tam bij afstak. Raw dreigde zo een ontgroeningsfilm te worden.”

Eigenlijk is alles en iedereen in Raw rauw en beestachtig. Ducournau huurde cameraman Ruben Impens in om zijn ‘look’ van Felix van Groeningens drama The Broken Circle Breakdown te benaderen. „Hard licht dat echte huid toont, met zweet en pukkeltjes.” Haar studentencampus is akelig kaal én chaotisch. „In tienerkamers vind je voedsel gemengd met kleding en heel rare geuren. Alles is een beetje kleverig… Maar elke persoon in Raw heeft zijn unieke chaos, we hebben niet zomaar scheppen vuilnis in die kamers gekieperd.”

Hoe kreeg de vrij onervaren Ducournau zoveel intensiteit én intimiteit uit de acteurs? Met choreografie. „Dialogen slaan dood als je ze vaak repeteert, maar ik oefen wel graag hoe lichamen zich door de ruimte bewegen. Als dat een automatisme wordt, krijgt je geest de ruimte te improviseren. Dat werkte erg goed bij de seksscène. Die is nogal wild en gewelddadig. Je wilt niet dat iemand gewond raakt, dus liet ik de acteurs alle bewegingen repeteren met een stuntman. De opname voelde daardoor voor hen ook niet meer gênant.”

Voor het kweken van intimiteit heeft Ducournau een geheimtip: laat acteurs samen horror kijken. „Ze kruipen op elkaar, giechelen omdat ze zich schamen bang te zijn: horror geeft een intieme sfeer van medeplichtigheid. Ik raad het iedereen aan.”