Column

Mannetje

Ellen

Mijn zus is voor maar twee dingen bang: de Belastingdienst en de dierenarts. Dus toen Mannetje, haar vrolijke langharige cavia, donderdagmiddag opeens enkele verdachte korstjes op zijn achterhoofd had, belde ze me in paniek op. Even later zat ik met hem en mijn twee neefjes in de wachtruimte.

„Ik hoop dat ze hem geen pijn doen”, zei de jongste.

„Dat zullen ze alleen doen om hem beter te maken”, zei ik. „Soms kom je alleen van pijn af door even iets meer pijn te hebben.”

„Aha,” zei hij, „dus je propt alle pijn gewoon in één moment! Supereffectief!”

Wat een mooi idee: dat elk leed een pijnquotum heeft dat je gewoon moet halen om ervanaf te zijn. Ik zag een handeltje voor me met pijnversnellers: hamers om jezelf mee op je hoofd te rammen om van je migraine af te komen en zo.

Gelukkig werden we toen opgehaald door de assistente en even later scharrelde Mannetje vrolijk rond op de behandeltafel.

„Waarschijnlijk een lichte schimmelinfectie”, zei de dierenarts. „Ik zal hem nog even temperaturen.”

De assistente hield Mannetje vast terwijl de arts de thermometer tussen zijn achterpootjes zette. Mijn jongste neefje keek weg, de oudste kneep hard in mijn hand, tranen in zijn ogen. De cavia liet een verontwaardigde piep horen.

„Hmmpf”, zei de dierenarts na enkele ogenblikken. „Nou zeg. Hij spant zijn anaalspieren wel erg hard aan.”

Mannetje had zijn voorpootjes schrap gezet. Ik heb nog nooit een zoogdier zo verbeten zien kijken. De dierenarts probeerde het een tweede keer maar kwam er nog steeds niet in. Mannetje keek vastbeslotener dan Rocky in Rocky. Er kwam een extra assistent bij, er werd vaseline gehaald maar het caviale achterste hield hardnekkiger stand dan Leiden in de Tachtigjarige Oorlog.

„Hup Mannetje!”, zei de oudste opeens.

„Laat ze niet winnen!” zei de jongste. Ik probeerde nog te benadrukken dat het temperaturen voor Mannetjes bestwil was, maar dat hoorden ze allang niet meer.

„Geef niet op!”, riep de oudste.

„Houd vol!”, schreeuwde de jongste.

„Zou u uw kinderen misschien even naar de wachtkamer kunnen brengen”, zei de assistente. Ondertussen pakte de dierenarts een spuit om Mannetje, maar vooral zijn achterwerk, te kalmeren. Ik duwde de jongens de behandelruimte uit.

„Je bent onze held!”, tierde de oudste nog.

„Wij geloven in je!”, schalde de jongste.

„Speciaal onderwijs”, zei ik tegen de andere baasjes in de wachtruimte. Toch was ik ook ontroerd. De jongens hielden zo veel van Mannetje dat ze ermee konden leven dat hij niet beter werd, zolang hij maar niet leed. Ik was trots op hen. En stiekem ook een beetje op de bipspartij van de desbetreffende cavia, die tussen zijn achterpootjes al die tijd een onvermoed wonder bezat.