Column

Even bellen met je vader

In het boek Eindeloos ouderschap (ondertitel: ‘Zorgen voor je kinderen houdt nooit meer op’) van Herman Vuijsje en Anneke Groen las ik met een lichte schok van herkenning een ervaring van Vuijsje met zijn moeder.

Vuijsje schrijft: „Met enige schaamte herinner ik me de stem van mijn moeder aan de telefoon: ‘Já, ik dacht, ik bél maar ’ns even…’” Die intonatie vergat hij nooit meer. „Die betekende dat ze al een tijdje niks van me had gehoord, en daar had ze gelijk in. ‘Ik wilde je net gaan bellen’, mompelde ik dan.”

Dankzij de accenten (‘já…ik bél’) weet ik dat hij een authentieke ervaring beschrijft – zoiets verzin je niet. Hier krijgt de doffe teleurstelling van een eenzame ouder stem. Zij heeft zich al langer gemarteld met de vraag of ze het wel of niet zou doen, want misschien zouden ze morgen toch nog „uit zichzelf” bellen, maar opeens was haar geduld op en besloot ze tot de aanval over te gaan.

Bekende varianten zijn: „Ik heb al zo lang niets meer gehoord” en „Léven jullie nog?”. Ik ken ze van mijn eigen vader, die ook goed wist hoe je het schuldgevoel nog wat dieper kunt inwrijven. En hij deed het terecht, net als die moeder van Vuijsje, want geen enkele smoes rechtvaardigt het verwaarlozen van het contact met je ouders. Druk-druk? Maar je gaat toch ook naar het café, de film, de voetbalwedstrijd enzovoorts?

Als kind ga je er ten onrechte van uit dat jouw ouders zich wel redden en zo’n plotseling telefoontje niet nodig hebben, mogelijk zelfs lastig vinden. Er is bovendien weinig gebeurd, en dus heb je niet veel bijzonders te vertellen, toch? Trouwens, als er wél iets is gebeurd, kun je misschien ook beter niet bellen, want anders maak je ze maar ongerust.

Zolang je ouders elkaar nog hebben, hoeft het ook niet zo erg. Maar zodra een van de twee geheel of gedeeltelijk – bijvoorbeeld door dementie – wegvalt, ontstaat er bij de ander wel degelijk behoefte aan regelmatig contact. Het was goed dat mijn vader assertief genoeg was om mij dat duidelijk te maken, zodat ik mijn gedrag kon aanpassen.

We belden voortaan vaak in de weekends. Hij was een spraakzaam man, er was altijd genoeg gespreksstof. Waar zou ik het afgelopen zondag over gehad hebben als hij nog geleefd had? Uiteraard had ik hem in de eerste plaats moeten feliciteren met het kampioenschap en de promotie van ‘zijn’ voetbalclub naar de eredivisie, VVV uit Venlo. Dat is voor zo’n kleine stad een even grote gebeurtenis als straks het kampioenschap van Feyenoord voor Rotterdam. Maar mijn vader was een realist en hij zou zeker gewaarschuwd hebben voor te veel optimisme: handhaving in de eredivisie zou nog „verdomd moeilijk” worden.

Verder zouden we de Franse verkiezingen hebben doorgenomen. Hij was rechtser dan ik ooit zal worden, maar voor Marine Le Pen zou hij geen sympathie hebben gevoeld, zoals hij ook weinig moest hebben van Fortuyn.

Op de PvdA heeft hij evenmin ooit gestemd, dus hij zou mijn echtelijke dialogen in de krant over die partij met enige meewarigheid gevolgd hebben.

Hij kon een goede grap waarderen, daarom zou ik hem graag het rijmpje hebben voorgelezen dat ik die middag op het venster van boze buurtbewoners had aangetroffen: „Ook voor de liefste hond geldt, het is hier geen drollenveld.”

„Leuk, jongen.”