Onderwijs

Praat de leraar nu wel mee over onderwijsvernieuwing?

Onderwijsblog Willen politiek en bestuur nu eindelijk ruimte maken voor de leraar? Vakkennis blijft belangrijk blijkt uit buitenlandse ervaringen, schrijft Jan Drentje.

ANP Evert Elzinga

Gaat het nu wel of niet goed met het Nederlandse onderwijs? De eindexamens van 2016 waren op middelbare scholen goed gemaakt. Het slagingspercentage was met 92,7 procent op het hoogste punt sinds 2008. In totaal haalden ruim 3300 scholieren gemiddeld een 8,0 of hoger op hun diploma, waarmee ze – voor het eerst - cum laude op het diploma kregen. In zijn brief hierover schreef staatssecretaris Sander Dekker: ‘Het onderwijs heeft het been bijgetrokken. Chapeau’.

Maar volgens het inspectierapport De staat van het onderwijs dalen de scores van Nederlandse leerlingen voor rekenen, taal en wiskunde gestaag op de internationale ranglijst, de zogenaamde Pisa scores. Neemt het aantal vwo’ers af en worden goede leerlingen te weinig uitgedaagd.

Bij het eindexamen slagen weliswaar meer leerlingen, maar dat komt vooral doordat bij de overgang van onderbouw naar de bovenbouw en bij de overgang naar de examenklas in toenemende mate aan risicoselectie wordt gedaan. Dat gaat ten koste van leerlingen met laagopgeleide ouders en ouders met een andere moedertaal. Verder blijkt uit internationaal onderzoek dat Nederlandse leerlingen zich kostelijk vermaken, maar weinig zin in leren hebben. Nergens in Europa hangen ze verveelder in de banken.

Ideologische sprong voorwaarts

Volgens de opstellers van het rapport Onderwijs32, een voorstel voor een ingrijpende wijziging van het onderwijsprogramma, ligt dat allemaal aan verouderde lesprogramma’s. Te veel nadruk op kennis, te weinig aandacht voor persoonsvorming, burgerschap, digitale vaardigheden. Klassikaal onderwijs in te veel vakken is verouderd. Vakken zouden beter in thematische leergebieden kunnen opgaan en projectmatig worden aangeboden. Meer nadruk op vaardigheden bereidt leerlingen beter voor leerlingen voor op de toekomst.

Een onderwijs-ideologische sprong voorwaarts. Met een zeer gebrekkige wetenschappelijke onderbouwing van de onderwijskundige veronderstellingen. In 2011 werd in Schotland een vergelijkbaar vernieuwingsprogramma doorgevoerd, het curriculum of excellence: minder vakkennis, meer onderzoeksvaardigheden. En wat blijkt: dalende resultaten op de kernvakken in het PISA onderzoek – in vergelijking met de scores van Engeland dat vasthield aan vakkennis. Als het aan de staatssecretaris - en de vorige Kamer - had gelegen, was Onderwijs32 al ingevoerd. Bij De Wereld Draait Door riep Dekker de bevolking op mee te denken over het curriculum van de toekomst. De commissie onder leiding van Paul Schnabel organiseerde in het hele land brainstromsessies. Leraren zouden uitgebreid geraadpleegd zijn. Maar wat bleek uit het onderzoek De staat van het onderwijs van onderwijsjournalist Johannes Visser: de meeste aanbevelingen lagen van tevoren al vast. Leraren en hun vakorganisaties waren nauwelijks bij het advies betrokken geweest. Even pijnlijk als symptomatisch .

Alles voor de leraar, maar zonder zijn/haar instemming.

En zonder de leraar gaat het niet. Daar is iedereen het in de politiek het inmiddels over eens. De man of vrouw voor de klas maakt het verschil. Zie maar eens getalenteerde jongeren voor de klas te krijgen! Het lerarentekort is een groot probleem. Veel onderwijsbestuurders zijn op studiereis naar Finland geweest, waar alle leraren (ook van die van de basisschool) universitair zijn opgeleid, politiek en inspectie op afstand staan, en het onderwijs floreert.

In het Kamerdebat van 20 april jongstleden drongen vrijwel alle Kamerfracties erop aan leraren en hun vakorganisaties nadrukkelijk te betrekken bij de uitwerking van Onderwijs32. Dat is mooi van de Kamer, want die vakorganisaties doen al jaren prima voorstellen voor herziening van onderwijs- en examenprogramma’s. Maar met hun adviezen wordt te weinig gedaan. De positie van de vakverenigingen in het beleidscircuit is marginaal.

Die vakverenigingen zijn inmiddels door het ministerie ondergebracht in de Onderwijscoöperatie – vreemd genoeg met de vakbonden erbij. Onduidelijk is helaas hoe de beslissingsmacht van de Onderwijscoöperatie is geregeld. Het ministerie heeft nu één gesprekspartner gecreëerd maar het is de vraag of de Onderwijscoöperatie wel het mandaat van de verenigingen heeft. Ook dat werd door de Kamer ingebracht.

Hoe dan ook: de leraren en hun organisaties zijn de komende kabinetsperiode aan zet. Als het aan D66 ligt, gaan leraren in het voortgezet onderwijs minder lesgeven, zodat ze meer tijd krijgen voor lesvoorbereiding en scholing. En dus ook tijd om via hun verenigingen het vak vorm te geven. Het beroep moet weer aantrekkelijk worden voor creatieve, goed opgeleide jongeren die geen lesboer willen zijn.

Het wordt beslist spannend: zullen politiek, ministerie en schoolbesturen bereid zijn echt een stap terug te doen, ruimte te maken voor de leraren? De inzet is hoog: kwalitatief hoogstaand onderwijs van de nabije toekomst hangt af van de vraag of de onderwijscultuur voor leerling én leraar innovatief en uitdagend kan zijn.

Jan Drentje is historicus aan de Rijksuniversiteit van Groningen.