Op zoek naar mijn Surinaamse roots: overgrootmoeder op de plantage

Binnenkort gaan de slavenregisters in Suriname open voor publiek. Correspondent Nina Jurna vroeg zich af hoe het plantage-leven van haar overgrootmoeder Paulina Grebbe eruit zag vlak na de slavernij.

Een oud gietijzeren waterrad in de jungle van Suriname. Foto Nina Jurna.

Paulina Grebbe. Foto Nina Jurna

Op een kleine zwartwit-foto lacht Paulina Grebbe, mijn Surinaamse overgrootmoeder, me toe. Haar springerige grijze krullen en indringende indiaanse ogen spatten van het beeld. De foto is in de jaren 50 genomen tijdens haar eerste bezoek aan Nederland. In die tijd kreeg ze ook voor het eerst officieel een achternaam. Paulina was namelijk een Arowak-indiaan en indianen kregen van de Nederlandse bestuurders in Suriname vaak geen achternaam, maar een nummer. Pas in 1956, toen Paulina een paspoort nodig had voor de reis naar Nederland, kreeg ze de achternaam ‘Grebbe’. Naar Lodewijk Grebbe, de laatste plantage-eigenaar van de suikerplantage Concordia, waar ze vandaan kwam.

Dit, en nog vele andere verhalen over Paulina, kreeg ik te horen van familieleden, toen ik tussen 2000 en 2011 in Suriname woonde en er werkte als journalist. Lodewijk Grebbe, haar kinderloze oom, had zijn plantage Concordia aan Paulina en haar zus nagelaten. Hoewel mijn overgrootmoeder in haar trouwboekje nog slechts met voornaam en nummer staat vermeld, kon ze voor haar paspoort aanspraak maken op de achternaam Grebbe, aldus de ambtenaar bij de burgerlijke stand destijds. Paulina liet na haar dood de plantage na aan haar kinderen, onder wie mijn oma. Hoewel intussen bijna iedereen in Nederland woont, de oudere generatie niet meer leeft en het om een ingewikkelde, onverdeelde boedelerfenis gaat, is plantage Concordia nog steeds familiegrond.

Tijdens een recent bezoek aan Suriname besloot ik voor het eerst op zoek te gaan naar deze oude suikerplantage. De vroegere verhalen waren niet erg uitnodigend. De plantage zou diep verscholen liggen in de jungle. De weg ernaartoe was berucht om overvallen van struikrovers. En dan moest je nog eens uren varen.

Anti-muggenspray

De ligging van plantage Concordia in Suriname. Studio NRC

Kort geleden kwam ik in contact met Reinier Darson, een oudere man afkomstig van de plantage Rustveld, naast Concordia. Hij overtuigde me dat de tocht veel simpeler was geworden: de weg was verbeterd en met een behoorlijke buitenboordmotor was het nog geen uur varen.

Met een rugzak vol water, broodjes en anti-muggenspray vertrekken we op een mooie woensdagochtend richting Concordia. De vroege ochtendzon vormt zachte, rode strepen in de lucht boven Paramaribo. Een prachtige dag om terug te gaan naar mijn roots: het fotootje van Paulina gaat mee in de tas.

‘We moeten tijdig bij de rivier zijn, anders krijgen we last met de stroming’, hoor ik Darson in de auto zeggen en ik geef meer gas. Vanaf de ruim vijftig meter hoge Jules Wijdenboschbrug die Paramaribo met Commewijne verbindt, doemt een uitgestrekte groene bomenmassa op. In de koloniale tijd lagen hier honderden koffie-, suiker- en cacaoplantages. Commewijne was het centrum van de rijkdom voor de Nederlandse kolonie. Op het hoogtepunt, rond 1775, waren er zeshonderd plantages in Suriname, waarvan de meeste hier. In de 250 jaar dat de slavernij duurde, brachten de Nederlanders naar schatting ruim een half miljoen tot slaaf gemaakte Afrikanen naar het Westelijk Halfrond, van wie (volgens onderzoekers) zo’n 200.000 naar Suriname. In zijn boek Wij slaven van Suriname, uit 1934, beschrijft de Surinaamse vrijheidsstrijder Anton de Kom de gruweldaden op de plantages. ‘De slaven (onze vaders) zwoegden op de velden om de rijkdom der blanken te vergroten. Op de suikerplantages stonden de Europeanen met de zweep achter hen, klaar om bij de minste vertraging hun naakte lichaam te treffen.’

Dit waren ooit allemaal bloeiende plantages. Alles is overwoekerd door de jungle.

Bootsman Sam

Vanaf de brug rijden we door een bosrijk gebied, langs akkers met sinaasappelbomen, bananen en verschillende groentesoorten. We passeren kleine huisjes met vrolijke bloementuinen en Javaanse warungs (eethuisjes), waar het in alle vroegte al naar verse nasi ruikt. De Nederlandse planters waren vanaf 1826 verplicht de boekhouding van hun plantages en slaven nauwkeurig bij te houden, dit om illegale slavenhandel te voorkomen. Gegevens van 80.000 tot slaaf gemaakte personen zijn bewaard. Met de hand geschreven eeuwenoude documenten waar de voornamen (ook slaven kregen geen achternamen) genoteerd zijn, hun eigenaren en de plantages. Het is een waardevolle bron aan informatie en geeft een unieke inkijk in het slavernijverleden.

Crowdfunding

Onlangs maakte het Nationaal Archief van Suriname, waar deze documenten liggen, bekend dat de slavenregisters gedigitaliseerd worden op microfilm en toegankelijk worden voor publiek. Het project is een initiatief van de Anton de Kom Universiteit in Suriname en de Radboud Universiteit van Nijmegen, die op zoek gingen naar financiering. De nog ontbrekende 25.000 euro werd onlangs via crowdfunding door particulieren bijeen gebracht. In 2018 moeten de gedigitaliseerde archieven opengaan.

Slavenregisters van de Landsarchiefdienst Suriname.
Foto Ranu Abhelakh
Slavenregisters van de Landsarchiefdienst Suriname.
Foto Ranu Abhelakh

Volgens de Surinaamse historica Mildred Caprino is er een groeiende interesse in genealogie stamboomonderzoek onder Surinamers en mensen met Surinaamse wortels. „Ze willen weten wie hun voorouders waren en zoeken informatie over de slaventijd. Afkomst en identiteit spelen hierbij een rol”, aldus Caprino, die voorstander is van meer eigen historisch onderzoek door Surinamers.

„Veel van de koloniale geschiedenis is opgeschreven door de Nederlandse machthebbers, vanuit een wit perspectief, terwijl er juist behoefte is aan een eigen Surinaamse visie.”

Volgens de Nederlandse historicus Coen van Galen, die namens de Radboud Universiteit het project opzette, zijn de slavenregisters ook voor Nederlanders zonder Surinaamse wortels belangrijk. „Het laat namelijk goed zien hoe racisme, waarmee slavernij doordrongen was, werkte. De mensen in slavernij mochten formeel geen familie hebben, alleen de band met de slaveneigenaar was toegestaan en werd erkend. Pas later werd ook de moederband erkend. Maar broers of zussen en de vader-band niet. Verder kunnen ook Nederlanders wier voorouders plantages hadden in Suriname dit onderzoeken, want ook gegevens van slaveneigenaren staan vermeld in deze registers”, zegt Van Galen.

Kokosbomen

Onderweg zegt Reinier Darson dat een nazaat van Grebbe nog in de omgeving woont. Ik ben verrast. Mogelijke familie? We bezoeken Kenneth Banket in zijn huis met ruime veranda en kokosbomen op het erf. „Paulina was de zus van mijn oma Georgtine”, vertelt Kenneth Banket. Ik zie de indiaanse familietrekken in zijn gezicht. Volgens Banket woonden de zussen deels op Concordia en op Potribo, een plantage in de buurt die fungeerde als dorpscentrum voor de omliggende plantages: er stond een kerk, er was een school, een bakker. „De oude Lodewijk Grebbe werd ziek en de zussen verzorgden hem tot zijn dood. Hij liet de plantage Concordia na aan hen”, aldus Banket. Concordia, zo zag ik eerder in oude documenten, was sinds de oprichting in 1711 in handen van verschillende eigenaren geweest. In 1843 was de schatrijke Joodse planter Samuel de la Parra eigenaar, die toen al 23 plantages bezat en zevenhonderd slaven. In 1895, dertig jaar na de afschaffing van de slavernij, kocht Lodewijk Grebbe de grond en werd mijn overgrootmoeder erfgename.

In de registers zou ik volgens historicus Van Galen meer kunnen vinden over de geschiedenis van mijn voorouders, en mogelijk ook over mijn andere voorouder: de slavin Cederspint die kinderen kreeg met de Amsterdamse koopman Doedel. Van Galen:

„Het bijzondere is dat in deze slavenregisters de mensen als individuen worden genoemd, met naam en geboortedatum. Soms staan in de zijlijn bijzonderheden over hun leven. De levensloop van je voorouders is nu beter in kaart te brengen.”

We komen bij de brug van Stolkertsijver, waar bootsman Sam (72), een neef van Darson, ons opwacht. De bejaarde maar nog kwieke bootsman duwt een kleine houten korjaal het water in. Hij wijst naar de overkant. „Dit waren ooit allemaal bloeiende plantages. Alles is overwoekerd door de jungle.” Hij zucht en start de motor. De rivier is kalm en zonnestralen glinsteren als pareltjes op het water. De plantages raakten in verval na de afschaffing van de slavernij in 1863 en veel eigenaren vertrokken uit Suriname. Voor de resterende plantages werden contractarbeiders uit Java en India geronseld. Uiteindelijk stopte de hele productie.

Concordia is net als andere plantages niet meer in gebruik. Een oud gietijzeren waterrad, bestemd voor de afwatering van de suikerplantage, staat er nog wel. De in Suriname wonende architect Philip Dikland liet het me jaren geleden op foto’s zien. „Het waterrad stamt waarschijnlijk uit 1830, uniek dat het nog in zo’n goede staat is”, zei Dikland toen. Hij maakt regelmatig expedities naar oude plantages en tijdens zo’n tocht hoorde hij bewoners uit de omgeving vertellen over het waterrad. Samen met een team kapte hij de plantage open en vonden ze waterrad.

Bekijk hieronder beelden van het waterrad:

Bootsman Sam

We zijn nu aangemeerd en voorzichtig lopen we over een geïmproviseerde loopplank de plantage op. Bootsman Sam, stevig rokend, voorop met een houwer: een kapmes waarmee hij het dichtbegroeide pad open kapt. Na twintig minuten lopen, komen we bij een open plek. Plotseling zie ik het kolossale 10-meter hoge gietijzer opdoemen. Ik krijg een brok in mijn keel. Het waterrad oogt veel groter dan ik had verwacht. Erom heen liggen stukken oud ijzer, mogelijk restanten van een oude oven, denkt Darson. Ik probeer me een voorstelling te maken van hoe het hier twee eeuwen geleden was. Toen er een paar honderd uitgebuite slaven rondliepen. De geur van het verhitte, tot melasse gebrande suikerriet. En hoe zag het plantageleven van Paulina Grebbe eruit die hier na de slavernij deels opgroeide? Als binnenkort de registers open gaan, hoop ik meer te weten te komen.

Bekijk hieronder beelden van het oud ijzer, mogelijk restanten van een oven:

Naschrift (26 april 2017): In een eerdere versie van dit artikel stond ten onrechte dat Nederlanders naar schatting een half miljoen tot slaaf gemaakte Afrikanen naar Suriname brachten. Nederlanders brachten echter ruim een half miljoen tot slaaf gemaakte Afrikanen naar het Westelijk Halfrond, van wie circa 200.000 naar Suriname.