Recensie

Groteske parabel over beestachtige mens nog steeds actueel

Professor Filippovitsj (Sergei Leiferkus) implanteert de hypofyse en testikels van een crimineel in de straathond Sjarik. Foto Monika Rittershaus

Het was een van de spraakmakendste voorstellingen van het Holland Festival 2010: A Dog’s Heart, de opera van Alexander Raskatov en zijn Italiaanse librettist Cesare Mazzonis, naar de novelle van Michael Boelgakov uit 1925.

Daarin implanteert de Frankensteinachtige professor Filippovitsj de hypofyse en testikels van een crimineel in de straathond Sjarik. Het dier muteert in een mensachtige creatuur van de hufterigste soort. Zuipend, vretend en zich een slag in de rondte neukend schopt Sjarikov het tot hoofd van de zwerfkattendienst. En passant grabt hij de mooie dienstmeid Zina by the pussy.

Bijtende satire op de indertijd nieuwe Sovjetmens. Maar met een actuele weerklank, zo bleek zaterdag bij De Nationale Opera, waar de reprise van de opera in première ging. In dezelfde regie van Simon McBurney, met andermaal Martyn Brabbins op de bok, en vrijwel dezelfde zangerscast.

Alleen maar actueler

Is zo’n letterlijke herneming, zeven jaar later, nog steeds urgent? Driewerf ja. Als groteske parabel over het beestachtige in de mens, lijkt de opera – in tijden van aanslagen, machopolitiek, volksmennerij en obscene ongelijkheid – alleen maar actueler geworden.

Getuige ook de mis-en-scène. De jarentwintigkostuums, de filmprojecties in constructivistische stijl en het luxe onderkomen van Filippovitsj (megakroonluchter, dito Perzisch tapijt) worden door Michael Levine (decor) gekaderd in een opengewerkt bühnebeeld met zichtbare decorconstructies en belichting.

Anders gezegd, de opera speelt zich letterlijk af binnen het frame van de huidige werkelijkheid. Des te ontregelender werkt de slotscène, waarin – anders dan in Boelgakovs origineel – een roedel blaffende Sjarikovklonen de woning van Filippovitsj overspoelt. Het koor (een uitstekend zingend Koor van DNO) brult een vermanend gehuil door megafoons. Hoed u voor een nieuwe opstand der horden.

Toch verzandt A Dog’s Heart nergens in eendimensionale moraalridderij. Daarvoor is de regie te scherp, met sarcastische onderbroekenlol en een glansrol voor drie poppenspelers die een uitgeteerde straathondmarionet over het podium laten scharrelen. Dat Sjarikov ondanks zijn afstotelijke vulgariteit ontroert als eeuwige verschoppeling, geeft de voorstelling eveneens reliëf. De scène waarin zijn schepper Filippovitsj hem hardvochtig zijn liefje ontneemt, is hartverscheurend.

Giftige klankmengsels

Raskatovs eclectische partituur loopt uiteen van Russische volksmuziek tot ironische elevator jazz en een proleterig on stage blaasorkestje. In zijn orkestraties broeit voortdurend een duister onbehagen, in giftige klankmengsels van boerende tuba’s, een kreunende contrafagot en de schelle tonen van een elektrische gitaar en piccolo.

Net als in 2010 is de 21 zangers tellende solistencast voortreffelijk. Met zijn diepe bariton imponeert Sergei Leiferkus andermaal als Filippovitsj. Nancy Allen Lundy overtuigt met haar onwaarschijnlijk hoge sopraan wederom als de hysterisch gillende keukenmeid Zina. Nieuw maar minstens even goed is de Britse tenor Peter Hoare, die sterk zingend en acterend zowel de weerzin- als deerniswekkende kant van Sjarikov geloofwaardig maakt.