Cultuur

Interview

Interview

Foto Frank Ruiter

‘Al kon ik maar één icoon terugwinnen van de Turken’

Tasoula Hadjitofi moest als kind haar geboorteplaats op Cyprus ontvluchten. Nu jaagt ze al jaren op roofkunst. „Het klinkt misschien alsof ik een soort James Bond ben, maar besef goed wat de keerzijde is van zo’n leven.”

Als Tasoula Hadjitofi in Cyprus is, kan ze vanaf het strand bij Famagusta het huis uit haar kinderjaren zien. Maar als ze één stap te ver zet, voorbij het hoge hek dat een stuk de zee in loopt, kan dat haar haar leven kosten.

Een paar jaar geleden stond Hadjitofi op die grens. Met opgestroopte jurk was ze langs het hek voorzichtig een paar meter de zee ingelopen om een beter uitzicht te hebben op de stad. Het leidde onmiddellijk tot grote consternatie bij de soldaten achter het hek. Met z’n vijven hielden ze haar onder schot. „Als je doorloopt, schieten we je dood”, dreigden de soldaten van het Turkse leger, dat al sinds 1974 haar geboortegrond bezet. „Ik stond daar en dacht: welke wet geeft Erdogan of Turkije het recht om mij te vermoorden als ik gewoon naar huis wil?” Bij het woord huis, schiet haar stem geëmotioneerd de hoogte in.

We zitten in de lichte serre van Hadjitofi’s huis in Den Haag, waar ze met haar Britse man en drie kinderen woont. Wie daar aan de muur iconen verwacht: die hangen er niet. „Ik heb ze wel, hoor”, glimlacht Hadjitofi. „Naast mijn bed bijvoorbeeld, en een aantal papieren varianten in mijn portemonnee en handtas. Maar die zijn nieuw en hebben dus minder waarde dan de antieke kunststukken waar ik al jaren op jaag.”

Hadjitofi kijkt naar haar oude stad. De turkse soldate die rechts stonden stonden op het punt te schieten.

Het was de liefde die haar in de jaren tachtig naar Nederland bracht, maar het heeft lang geduurd voordat ze zich hier thuis voelde. „Als vluchteling wil je altijd naar huis. Ik dacht dat het een kwestie van tijd was voor ik terug kon naar Famagusta.”

Het eerste deel van Hadjitofi’s jeugd klinkt speels en licht. Net als nu woonde ze vlakbij zee. Een huis omringd door fruitbomen met een tuin vol groentes en kruiden. Tasoula, de tweede uit een gezin van vier kinderen, was altijd buiten. Ze vliegerde, verzamelde schelpen, zorgde voor de dieren en verkocht fruit in de buurt. Het leven veranderde in één klap toen Turkije in juli 1974 Cyprus binnenviel na de staatsgreep die het eiland met Griekenland moest verenigen. Ze was 15 jaar. „Mijn vader werd opgeroepen mee te vechten. Toen ik hem zag gaan leek het een soort Bonanza-western. Er was bijna sprake van opwinding: papa gaat naar de oorlog! We realiseerden ons totaal niet wat er aan de hand was.”

Lees ook dit verhaal over vredesonderhandelingen in Genève: Ineens lijkt akkoord Cyprus mogelijk

Het besef kwam toen de stad gebombardeerd werd. „Ik lag doodsbang opgekruld onder mijn bed, de anderen in bad of onder de eettafel. Ik wist niet of mijn vader ooit nog terug zou komen en of we dit zouden overleven. Terwijl ik daar lag, zag ik mijn moeder op haar knieën zitten met een paaskaars in haar handen. Ze bad tot de icoon van Sint Andreas en de maagd Maria. Pas toen begreep ik de kracht die het geloof haar gaf. Kort daarna riep ze het gezin bij elkaar.”

Ze zwijgt. De herinneringen emotioneren haar. Met een stem vol tranen praat ze verder. „Achter meerdere deuren in het huis bleek ze messen te hebben verstopt, om ons mee te verdedigen. En terwijl mijn moeder alle stekkers uit de muren trok, waarschuwde ze ons: als er een Turkse soldaat door het raam komt en ik jullie niet kan redden, steken jullie je vingers in het stopcontact. We zullen nooit levend in hun handen terechtkomen.”

„Een verwoestende ervaring”, noemt Hadjitofi het. „Mijn moeder, een diep religieuze vrouw, die me opdroeg mezelf van het leven te beroven als het moment daar zou zijn. Onze heroïsche hellenistische geschiedenis die niet langer werd voortgezet, want we werden verslagen.

„Mijn vader die altijd mijn held was, kwam huilend uit de oorlog terug. Vrienden werden vermoord of waren vermist, een vriendin werd verkracht. Niemand kon ons redden. Mijn ouders niet, de overheid niet en hulp uit het buitenland bleef uit. Vanaf die dag was ik op mijzelf aangewezen. Als we niet zouden vluchten, zouden we vermoord worden.”

Hadjitofi als kind.

Toen kort daarna een tweede bombardement dreigde, vluchtte het gezin halsoverkop naar Limassol waar een tante woonde. „Ik had een gele korte broek aan. Met z’n zessen deelden we één koffer. De dieren gingen in hun hokken, met voer voor een paar dagen. We zouden maar even wegblijven, tot de stad weer rustig zou worden.”

Het liep anders, want Turkije besloot de stad in te nemen. Famagusta veranderde van een levendige toeristenplaats in een spookstad. „Het enige dat ik nog heb van die tijd is een vriendenboekje. De laatste pagina is ingevuld door de jongen op wie ik toen verliefd was. Hij is vermoord. Al zegt zijn familie nog steeds dat hij vermist is.”

Op haar achttiende vertrok Hadjitofi naar het Verenigd Koninkrijk voor haar studie. Jarenlang sprak ze niet over wat ze had meegemaakt. „Ik danste, ik zong en wilde niet onder ogen zien dat dit mijn geschiedenis was.” Dat bleek niet vol te houden, eenmaal in Nederland liet ze steeds vaker haar stem horen. Ze was nog geen dertig toen ze werd benoemd tot honorair consul van Cyprus in Nederland. Drie jaar lang lobbyde ze onbezoldigd achter de schermen voor haar land.

Haar leven nam een andere wending toen ze werd benaderd door een kunstsmokkelaar. „Hij liet mij foto’s zien van heilige iconen, fresco’s en mozaïeken die sinds 1974 waren gestolen uit kerken in Cyprus. Ze stonden gewoon te koop! Toen dacht ik: hoe kan dit, ik ben een vluchteling, ik kan niet naar huis en nu worden de laatste delen van mijn identiteit over de hele wereld verspreid. Het was die dag dat ik besloot actie te ondernemen: als niemand snapt hoe belangrijk dit is, dan ga ik die kunstobjecten zelf redden en terugbrengen. Zo win ik toch iets terug van de Turken, al zou het maar één icoon zijn.”

Het werden er veel meer. Al dertig jaar lang voert Hadjitofi rechtszaken in Nederland, Japan, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Griekenland, voornamelijk tegen kunsthandelaren. Honderden kunststukken zijn opgespoord en via de rechter terugbezorgd, onder meer aan Cyprus.

„Het klinkt misschien alsof ik een soort James Bond ben, maar besef goed wat de keerzijde is van zo’n leven”, benadrukt Hadjitofi. „De handelaren mogen mij niet, ik weet dat ik vijanden heb. Er is meermaals ingebroken in mijn huis en in mijn kantoor. Er is zelfs een tijd geweest dat de politie me beschermde, of ik nu hier of in het buitenland was.”

Ze zou niet anders hebben gewild. „Toen ik in Nederland aankwam, was ik een beschadigd persoon zonder identiteit. Ik voelde me vaak schuldig, omdat ik van Nederland ging houden. Het was alsof ik Cyprus verried door te genieten van mijn leven hier. Mijn werk veranderde dat. Door oude kunstschatten terug te veroveren, kreeg ik weer een lach op de gezichten van mijn mensen. En Nederland omarmt mijn werk. Dat jullie in 2013 vier iconen hebben teruggegeven aan Cyprus, weet iedere Cyprioot. Het stond groot in alle kranten: Nederland, dank je wel. Dat helpt in ons helingsproces.’

Om de maand bezoekt Hadjitofi haar ouders in Limassol. „Zij zijn de laatste getuigen van mijn jeugd. Hun kinderen zijn veranderd, maar zij zijn hetzelfde gebleven. Als ik bij hen ben, voel ik me weer even zoals in die zonnige kinderjaren. Dan maak ik grapjes met mijn broertje en zussen en vertellen we anekdotes over vroeger. Over de oorlog praten we nooit. Op de dag dat we naar Limassol vluchtten, nam mijn broertje een klein koffertje met zijn favoriete autootjes mee. Dat koffertje ging op slot. Het staat onder zijn bed en hij heeft het in die 43 jaar nooit durven openen.”