Zijn kant van het bed was vervuild, die van haar brandschoon

Rechtszaak

Na 63 jaar huwelijk met Antonia werd de 88-jarige Evert in huis doodgestoken. Zijn vrouw (89) is de enige verdachte. „U moet toch gezien hebben dat uw man vervuilde?”

Hulpdiensten bij het huis waar Evert in januari 2015 werd doodgestoken. Zijn vrouw Antonia stond „in de soep te roeren” toen het gebeurde, zegt ze. Foto Olim Bajmat

Antonia is 89, klein en tenger. Ze draagt een roze coltrui, heeft een lief gezicht en witte krullen. Om de ringvinger van haar rechterhand draagt ze haar trouwring. Ze was 63 jaar getrouwd, met Evert.

Maar hij leeft niet meer. Evert is op 10 januari 2015 doodgestoken in hun huis in Amsterdam-Oost. En zij, Antonia, is de enige verdachte.

De rechtszaak wordt geleid door de vicepresident van de Amsterdamse rechtbank, mr. G. Janssen. Hij waardeert het, zegt hij, dat de 89-jarige vrouw is gekomen en ze mag aangeven wanneer ze behoefte heeft aan een pauze. Zodra de behandeling begint, is hij streng. Met strakke hand leidt hij haar door zijn verhoor. Als Antonia vraagt of zij ook een vraag mag stellen, is het antwoord kortweg „nee”.

Praten gaat haar niet gemakkelijk af. Haar medeklinkers zijn langgerekt en het volume wisselt sterk binnen één zin, alsof een kind aan de volumeknoppen zit te draaien. Maar wát ze zegt is coherent en to the point. En wat ze steeds herhaalt, is: „Ik heb mijn mannnnn nnníét gestoken.”

Antonia is uitvoerig onderzocht, ook neurologisch. Er is niets mis met haar geheugen. En ze is ondanks haar leeftijd ‘detentiegeschikt’. De drie rechters mogen haar dus naar de gevangenis sturen als ze concluderen dat zij haar man (88) heeft vermoord. Zelf zegt Antonia: „Dan kan ik mijn huis opzeggen. Ik kom niet meer terug.”

Wie naar de feiten kijkt, kan niet om Antonia als verdachte heen. Zij was het die de alarmcentrale belde op de bewuste zaterdagavond. Toen de hulpdiensten arriveerden, zeven minuten later, waren ramen en deuren van het huis van binnenuit afgesloten. Antonia deed open. Haar man lag in de hal, doodgebloed als gevolg van een steekwond onder zijn linkeroksel. Op zijn handen zaten snijwonden die erop kunnen duiden dat hij zich heeft verweerd.

„Zolang ma niet bekent, vertrouw ik ma.”

Het vermoedelijke moordwapen werd snel gevonden: een mes in het messenblok in de keuken. Daarop werd Everts bloed gevonden, en ook op de knoppen van de geiser. In de wasbak lag een stukje van zijn huid. De conclusie dat de dader geprobeerd heeft het mes af te spoelen, ligt voor de hand.

Ze hadden die middag geen ruzie gehad, zegt Antonia. Haar man keek schaatsen in de huiskamer, zij puzzelde aan tafel. Om een uur of vier „kwamen de glaasjes op tafel”. Hij dronk jenever (veel, bleek later uit zijn bloed), zij sherry. Antonia ging naar de keuken om, zoals elke zaterdag, de soep op te warmen. „Ik sta in de keuken in de pan te roeren. Ik hoor een grote klap en daar ligt mijn man.” Ze probeert eerst de huisarts te bellen, dan haar kinderen en uiteindelijk, een half uur na het eerste telefoontje: 112.

Volgens hun drie volwassen kinderen was het huwelijk van hun ouders „goed”. Ze zijn bij de zitting en ondersteunen hun moeder als zij naar het toilet moet. Een van haar zoons heeft gezegd: „Zolang ma niet bekent, vertrouw ik ma.”

Volgens buren kwamen de kinderen niet zo vaak langs. Maar ze zagen wel dat hun vader achteruitging. Zijn lichaam was „op”, zei één van de zoons. Hij werd incontinent, liet zijn ontlasting lopen. Terwijl hun moeder juist zeer netjes was, „een beetje dwangmatig” volgens haar dochter. Hun ouders vroegen hun geen hulp. Antonia zei daarover in een verklaring: „Mijn kinderen werken, mijn dochter werkt.”

„Werd u weleens boos”, vraagt rechter Janssen, „als uw man zijn ontlasting liet lopen, als hij niet op tijd bij het toilet was?”

Ze antwoordt: „Als iemand eigenwijs is en doet of hij alleen leeft… dat is niet leuk.”

Maar ze zegt ook: „Je bent getrouwd en weet: dat kan mij ook gebeuren.”

In het dossier zitten foto’s van het bed van het echtpaar. Zijn bed was sterk vervuild, dat van haar was schoon. „Uw bed was kraakhelder”, zegt Janssen. „Hoe komt dat nou?”

„Mijn man waste zich… niet zo intens.”

„Of waste hij zich helemaal niet meer?”

Dan zegt ze: „Ik had een goed huwelijk. Met mooie en minder mooie kanten.”

De rechtbankvoorzitter houdt aan: „U moet hebben gezien dat zijn bed vervuild was. De lakens waren geel en bruin, ze roken naar urine… misschien wel poep.”

„Nou, vervuild…”, zegt Antonia.

„Uw man was heel vies. Hij had korsten op zijn rug, alsof hij al heel lang niet meer gewassen was. U moet toch gezien hebben dat hij vervuilde?”

Ze zegt niets. Op andere momenten, als ze het moeilijk krijgt, vraagt ze of ze naar het toilet mag. Soms ook als ze net is geweest.

De rechter kiest een andere toon. „U deed het in veel opzichten vast heel goed.”

Antonia: „U zegt net dat ik het niet goed deed!” 

Ze heeft haar man één keer geschopt. „Maar nnnnniet gestoken.”

Janssen: „Dat zeg ik niet; de hygiëne was niet op orde. Maar u kon nog wel boodschappen doen.”

„Dat móést”, zegt ze. „Je moet toch eten.”

„Vindt u het moeilijk om toe te geven dat het zwaar was?”

„Ja!”

„Want als we het omdraaien: u werd niet verzorgd, u was ook oud.”

Buren hoorden Antonia geregeld tegen haar man schelden. Grof soms: „Dikke kut, ik ben niet gek.” En: „Ik trap je helemaal in elkaar.” Maar de buren zeiden erbij dat er geen dreiging van uit leek te gaan. Ze zei het zelfs wel op een ‘lollige manier’. Antonia bevestigt dat ze „flink kon uithalen”. Maar dat moest ook wel, want haar man hoorde slecht. Ze heeft hem ook weleens geduwd, geeft ze toe. En één keer geschopt. „Maar nnnnniet gestoken.”

Een kleindochter noemde haar oma in een afgetapt telefoongesprek „ijskoud”.

De officier en de rechter zijn verrast als Antonia’s advocaat in zijn pleidooi een insluiper als dader oppert. Zeker omdat er geen sporen van braak waren, vindt de officier dat een „onaannemelijk scenario”. De advocaat voert ook nog aan dat bewijs tegen Antonia (onder meer het mes met bloed erop) onrechtmatig is verkregen. Want de hulpdiensten dachten aanvankelijk niet aan een misdrijf, maar aan een val. Het vermoedelijke moordwapen werd in het keukenkastje gevonden toen nog geen bevel tot huiszoeking was gegeven.

De officier van justitie verwacht meer van dit soort zaken, in een vergrijzende samenleving. „Hierdoor zal vaker de partner die gezonder is, belast worden met de zorg voor de ander, met de daarbij gepaard gaande frustraties.”

Ze wil graag rekening houden met verzachtende omstandigheden – zoals dat Antonia uit wanhoop handelde, omdat ze de zorg niet langer aankon. Maar omdat Antonia alles ontkent, kan ze dat niet. Tegelijkertijd, zegt de officier, kan het ook niet zo zijn dat een te zware zorgtaak automatisch een lagere strafeis rechtvaardigt. Hoewel acht jaar gezien de feiten een „passende” straf zou zijn, eist ze met het oog op Antonia’s leeftijd vier jaar cel.