Column

Amanpour overtuigt

De tv-uitzending van College Tour met Christiane Amanpour van CNN zou verplichte kost op alle journalistieke opleidingen moeten worden, schrijft Frits Abrahams.

De tv-uitzending van College Tour met Christiane Amanpour van CNN zou verplichte kost op alle journalistieke opleidingen moeten worden. Het was een bemoedigend, overtuigend pleidooi voor toegewijde, op feiten gebaseerde journalistiek.

Wijzend op de opmars van de Amerikaanse zender Fox News, zei ze: „Ze brengen veel desinformatie en leugens. De waarheid is niet ‘van iemand’, je kunt de waarheid niet aanpassen. Er bestaan empirische feiten, je kunt die niet ontkennen. Ik heb me als journalist altijd op feiten gebaseerd.”

Het lijken open deuren die Amanpour hier intrapt, maar dat wáren ze – het zijn deuren die de laatste jaren door belanghebbenden één voor één worden gesloten. Overheden, bedrijven en allerlei instanties hebben zich omgord met een pantser van pr-adviseurs, die ongunstige publiciteit moeten voorkomen. Het wordt daardoor steeds moeilijker de feiten boven water te krijgen.

Sommige journalisten laten zich erdoor ontmoedigen. Ik hoor tegenwoordig ook achtenswaardige collega’s zeggen dat ‘de’ waarheid eigenlijk niet bestaat, dat iedere belanghebbende zijn eigen waarheid heeft, en dat het voor een journalist een bijna ondoenlijke opgave is om een keuze te maken uit al die ‘waarheden’.

Het is pseudofilosofische onzin en bovendien een recept voor journalistieke luiheid. Want waarom zou je nog je best doen om een door iedereen kneedbare, fictieve waarheid te achterhalen? In zijn boekje Over tirannie schrijft historicus Timothy Snyder over dit gebrek aan waarheidsliefde: „We voelen ons hip en alternatief bij een algemeen cynisme, zelfs wanneer we daarbij samen met onze medeburgers afglijden naar een moeras van onverschilligheid.”

Zo’n houding is ook in strijd met de journalistieke traditie, want onderzoeksjournalisten zijn er altijd geweest: van de muckrakers in de Amerikaanse journalistiek aan het einde van de negentiende eeuw tot Joep Dohmen van NRC en Bas Haan van Nieuwsuur, die het vuur oprakelen in de doofpotten van nu.

Ik koester het boek De ritselaars uit 1997 van Harm van den Berg, een gepensioneerde onderzoeksjournalist van NRC, die zo’n dertig grote Nederlandse schandalen vanaf 1972 inventariseerde: van het gifschandaal in Lekkerkerk (1975) en de Lockheed-affaire rond prins Bernhard (1976) tot het plagiaat van hoogleraar psychologie René Diekstra (1996). Het is een komen en – vooral – gaan van ministers, staatssecretarissen en corrupte captains of industry. Stromen verspild belastinggeld (de paspoortaffaire; de door minister Kroes royaal gesubsidieerde schurken van Tankcleaning Rotterdam; de graaiers van de OGEM-top) spoelen door dit boek.

Het bevat een nog altijd actueel nawoord van universitair hoofddocent Koen Koch. „We leren leven”, schreef hij, „in een samenleving waar het profijtelijk is om zich niet langer te storen aan de wetten van de publieke moraal. Van de straffeloosheid van de premier [Lubbers, FA], de prins-gemaal, de politiecommissarissen en de officieren van justitie gaat een onmiskenbaar corrumperende werking uit. Wanneer hij de macht van zijn publieke functie mag aanwenden voor het regelen van een particuliere aangelegenheid of wanneer hij zich mag laten omkopen, waarom zou ik, kleine ploeteraar, dat dan niet mogen?”

Amanpour zou zeggen: journalisten, zoekt en gij zult vinden.