Niemand heeft de statuur van De Gaulle

Franse verkiezingen

Hoewel het land altijd uitging van ‘links’ of ‘rechts’, gaat het nu om een nostalgisch gesloten Frankrijk óf een open Frankrijk dat midden in een geglobaliseerde wereld staat. Een ding is zeker: verandering moet er komen.

Foto’s REUTERS/Christian Hartmann en AP Photo/Kamil Zihnioglu

De Assemblée Nationale, de Franse Tweede Kamer, heeft een eigen souvenirwinkeltje. Daar kun je boeken van parlementariërs kopen, bustes van ‘Marianne’ en Franse vlaggetjes op bureauformaat. Maar het leeuwendeel van de collectie bestaat uit cadeautjes rond het thema links-rechts: een paar sokken of manchetknopen waarvan de ene helft rood is met de tekst ‘gauche’ en de ander blauw met de tekst ‘droite’. Zelf heb ik sinds enige jaren de links-rechts ovenwanten in gebruik.

Het tekent de Franse fixatie op die klassieke politieke breuklijn. Veel Fransen houden van politiek en praten graag, lang en liefst zonder enige terughoudendheid over hun bestuurlijke voorhoede. Maar meer dan in andere landen is daarbij het onderscheid tussen links en rechts nog omnipresent. De eerste vraag die ik als journalist op reis krijg, is of mijn krant zich „links” of „rechts” positioneert. Iets er tussenin is voor de meeste Fransen ondenkbaar; liberalen bestaan niet of zijn domweg ongeschikt voor het spel om de macht.

Maar in de opiniepeilingen voor de eerste ronde van de presidentsverkiezingen van aanstaande zondag gaan al wekenlang twee politici aan kop die beiden expliciet zeggen links noch rechts te zijn: de nationaal-populist Marine Le Pen (die overigens door Franse media nog wel „extreem-rechts” genoemd wordt) en de sociaal-liberaal Emmanuel Macron, die volgens klassiek links te rechts en volgens klassiek rechts te links is. Le Pen en Macron zeggen zich beiden met zoveel woorden te kunnen vinden in de nieuwe politieke breuklijn die zich aftekent, die tussen nostalgici („patriotten”) die oude grenzen willen terugvinden en voorstanders van een open Frankrijk dat met beide benen in de geglobaliseerde wereld staat.

Frankrijk kan niet langer doormodderen, maar moet kiezen en, dus, ingrijpend veranderen. De vraag is alleen welke kant op

Hoe kon dat zo gebeuren? Op zoek naar een antwoord reisde ik in de aanloop naar de verkiezingen naar alle uithoeken van het land. Ik sprak met werklozen in de slaperige provinciestad Châteauroux, met IT-ondernemers in het dynamischer Toulouse, met mensen die zich arbeider noemden in Noord-Frankrijk en met min of meer opstandige jongeren in de Parijse banlieue. En hoewel al die werelden fysiek en sociaal ver uit elkaar liggen, kwamen veel gesprekken uiteindelijk tot dezelfde conclusie: Frankrijk kan niet langer doormodderen, maar moet kiezen en, dus, ingrijpend veranderen. De vraag is alleen welke kant op.

De bestaande politieke partijen hebben afgedaan, vertelde menigeen gedesillusioneerd. De Parti Socialiste hangt na vijf jaar François Hollande in de touwen en de centrum-rechtse Republikeinen hebben door interne verdeeldheid niet van de zwakte van de linkse president kunnen profiteren. „Ik heb in 2007 Sarkozy gestemd en in 2012 Hollande. Maar ik heb niet het gevoel dat er enige beweging in het land zit”, zei de 41-jarige Nicolas Chamblet half maart op een deprimerend bedrijventerrein bij Châteauroux. De energieke Sarkozy was tien jaar geleden voor veel mensen een belofte, maar hij maakte het niet waar. Hollande werd in de eerste plaats verkozen om van Sarkozy af te komen – ook geen gelukkige start.

„Of ze nou van links of van rechts zijn”, hield Chamblet me voor, „alle politici zijn hetzelfde: aan de macht zitten ze er louter voor zichzelf.” De onthullingen over de wijze waarop de rechtse kandidaat Fillon zich met fictieve baantjes voor zijn gezinsleden zou hebben verrijkt, hadden hem in die gedachte gesterkt. Een paar weken later bleek dat de socialist Bruno Le Roux op kleinere schaal ongeveer hetzelfde had gedaan. Chamblet had zijn keus al bepaald. „Le Pen is nog niet aan de macht geweest. Dus laten we weer wat nieuws proberen”, zei hij schouderophalend.

Steunbetuiging Obama

Ondanks het mooie voorjaarsweer had Marine Le Pen die zaterdag net zo’n 3.000 mensen bijeengekregen in de plaatselijke salle polivalente. Er waren veel boeren onder haar gehoor die haar anti-Europese verhaal ondanks hun afhankelijkheid van landbouwsubsidies steeds aantrekkelijker zeiden te vinden. Zonder Brussel hoefden ze zich aan minder regels te houden en Le Pen beloofde de subsidies te compenseren. „Alles moet anders”, zei een van hen.

Maar Chamblet was geen boer en hij was nog nooit naar een bijeenkomst van het FN geweest. Hij werkte als uitzendkracht. Dat hij op zijn leeftijd nog altijd geen vaste baan had, irriteerde hem. En hij begon over „veiligheid” en „immigratie”, maar voegde daar bijna verontschuldigend aan toe dat dat onderwerpen waren die hem zelf eigenlijk niet direct raakten. „Maar kijk toch wat er in Parijs allemaal gebeurt. Het komt dichterbij.”

Le Pen had even daarvoor in haar toespraak een paar keer het woord „massa-immigratie” gebruikt. Maar over veiligheid, terrorisme of de islam sprak ze nauwelijks. Die onderwerpen zouden eigenlijk pas in de laatste campagneweek, na de verijdelde aanslag in Marseille en de schietpartij donderdag op de Champs-Élysées, hun intrede doen. Waar de campagne wél precies over ging, wist niemand. Over Europa? Over de economie? Dat waren de thema’s van Macron, de kandidaat die het meest profiteerde van de implosie van de PS van Hollande. Over verandering?

Frankrijk verandert, maar de politieke klasse is de laatste jaren niet meeveranderd

Aanhangers van Le Pen, Fillon en de uiterst linkse Jean-Luc Mélenchon zien in Macron de man die alles bij het oude wil houden. Hij zou de marionet zijn van Hollande, van Merkel of, als ex-bankier, van het grootkapitaal. „Hoe vaak ik niet heb moeten uitleggen dat hij maar twee jaar bij de Banque Rothschild heeft gewerkt en dat hem dat niet direct diskwalificeert voor een politieke functie”, lachte Marie-Claire Constans (35), een van de ‘marcheuses’ die voor Macron in Toulouse langs de deuren gingen.

Macron-vrijwilligers denken dat juist hij de enige kandidaat is die echte verandering kan bewerkstelligen. Het bijna religieuze enthousiasme dat hij oproept doet enigszins denken aan de begindagen van Barack (‘change’) Obama, de voormalige Amerikaanse president van wie Macron donderdag een telefonische steunbetuiging kreeg. Macron heeft een „echte baan” gehad en is niet, zoals bijvoorbeeld Fillon of Mélenchon, zijn leven lang politicus geweest, zei Constans enthousiast. Hij heeft zelfs nog nooit eerder campagne gevoerd.

Macron wil proberen „de manier waarop we in dit land politiek bedrijven”, te veranderen. Positief en beschaafd. Geen politieke spelletjes meer. Op zijn campagnebijeenkomsten, ik zag hem in Lyon, sprak hij zijn aanhang steeds vermanend toe als andere kandidaten werden uitgefloten. „Nee, dat doen wij niet”, zei hij met zijn wijsvinger omhoog. Hij zei voor het parlement mensen uit „het echte leven” te willen kandideren. Op televisie presenteerde hij zijn eerste kandidaten: een boer, de voormalige baas van de elitetroepen van de politie, een schoolhoofd.

„Frankrijk verandert, maar de politieke klasse is de laatste jaren niet meeveranderd”, zei ambtenaar Pierre Virmont (45), ook in Toulouse. „Wij zijn verder dan zij denken.” Een detail misschien, maar neem de taal. Veel mensen begonnen daar over. Natuurlijk zijn Fransen nog altijd trots op hun „langue de Molière”. Maar steeds meer jongeren spreken ook prima Engels. „Weet je dat we in dit land nog nooit een president hebben gehad die fatsoenlijk Engels spreekt?”, lachte Virmont besmuikt. Macron liet zich probleemloos door internationale media in het Engels interviewen. Het gesprek met Obama voerde hij zonder tolk op de speakerphone. Hij zette er een filmpje van op Twitter.

Jaarlijks onderzoekt de politieke school SciencesPo in Parijs het vertrouwen van de Fransen in hun instituties. Politieke partijen scoren steevast het slechtst. 88 procent van de Fransen had afgelopen december „geen” of „helemaal geen” vertrouwen in partijen. In het onderzoek krijgen respondenten ook vragen over de democratie in het algemeen. Vond in 2009 nog 48 procent van de mensen dat de democratie „niet goed” of „helemaal niet goed” functioneerde, zeven jaar later lag dat op 70 procent.

„Kijk dan met welke kandidaten we opgescheept zitten”, riep een restauranthouder in het centrum van Straatsburg toen ik hem wijzend naar de ratelende nieuwszender in de hoek van de eetzaal vroeg naar de naderende verkiezingen. Niemand had volgens hem nog de statuur van een Mitterrand, die trouwens ook van zichzelf vond dat hij „de laatste van de grote presidenten” was. „Of neem De Gaulle”, zei de restauranthouder. Alleen een „grote leider” zou Frankrijk uit het moeras kunnen trekken.

Misschien is De Gaulle ook wel deel van het probleem. De door hem in 1958 opgestelde grondwet voor de toen begonnen ‘Vijfde Republiek’ met een providentiële leider in het middelpunt en een niet al te machtig parlement was „als een maatpak” voor De Gaulle zelf, zei politicoloog Emmanuel Rivière van bureau Kantar toen ik hem in maart in Parijs sprak.

Het is weer 1958

De presidentsverkiezingen waren voor De Gaulle „een ontmoeting tussen een man en een volk”, politieke partijen moesten hem niet te veel in de weg staan. Ook De Gaulle, de meest geciteerde politicus in de tv-debatten, noemde zich ooit „ni de droite, ni de gauche” – Macron refereerde daar onlangs nog aan. Maar zijn republiek loopt op zijn laatste benen, zei Rivière. Overal broeit het onbehagen. „Het is weer 1958”, zei hij.

Een Zesde Republiek dus, met meer macht voor het parlement en minder voor de president, zoals Mélenchon voorstelt? „Frankrijk loopt al jaren tegen een soort kookpunt aan”, zei sterpoliticoloog Dominique Reynié afgelopen week in een groepsgesprek met buitenlandse journalisten. Zowel Le Pen als Macron heeft zonder partijapparaat weinig kans op een stabiele meerderheid in het parlement. Zouden de kandidaten van de twee traditionele politieke machtsblokken op rechts en links, François Fillon van de Republikeinen of Benoît Hamon van de socialisten, daadwerkelijk de tweede kiesronde op 7 mei niet halen, dan moet Frankrijk „op zoek naar een nieuw model”.