Column

Lik. Mijn. Kont.

Georgina Verbaan

Sasaman, De Kat met Korte Pootjes, is sinds de dood van prof. dr. Laurens erg vocaal. Ondanks het feit dat ik veel thuis werk momenteel, loopt hij achter mij aan alsof hij me jaren niet gezien heeft en mij van alles moet vertellen.

Voer ik een gesprek met een ander, dan snelt hij met zijn worstenlijfje toe en roept hij om de drie woorden ‘Mauw!’. Dwars door het gesprek heen, iedere vorm van beleefdheid terzijde werpend.

Dat is niets voor hem. Hij is altijd een beleefde kat geweest.

Vanwege zijn gedrongen fysiek (dwerggroei en daarmee gepaard gaande hernia’s; hij slikt poezen-Prednison) is hij niet in staat om de trap op te lopen of de bank op te klimmen. Dat had hij prima opgelost door naast, voor of onder hetgeen waar hij iets mee wilde te gaan staan, oogcontact met een mens te zoeken en zich een keurig mauwtje te laten ontsnappen terwijl hij instruerend zijn blik van jou naar het object van zijn fixatie verlegde. Helder.

Ja, ik had er wel over gelezen, dat rouwende katten meer kunnen gaan miauwen na het overlijden van een collega-kat. Ik las ook dat het goed zou zijn meer met ze te spelen: ‘Ook al heeft de kat er geen zin in, ga toch elke dag op hetzelfde tijdstip met een hengeltje, touwtje of balletje in de weer.’ Het deed mij wat sadistisch aan, maar wat weet ik ervan?

Hengeltjes werden geknutseld en balletjes zijn onder de verwarming vandaan gevist. Maar het interesseert hem niet. Het leek zelfs woede los te maken. „Mauw! Mauw! Mauw!” Hij zocht de eerste week onophoudelijk naar zijn beste vriend en lijfarts Dikkie.

Het is blijkbaar heel moeilijk om in een verwarmde ruimte te leven als je aarsgat niet dagelijks gelikt en bewonderd wordt. Waardoor ik het ineens niet ondenkelijk achtte dat dat is waar hij mij voortdurend om vraagt. „Wat is er Sasaman?” „Kont! Ko-hont!” „Moet ik je aaien? Is dat het?” „Nee! Kont! Kont! Kont!” „Je bakje zit nog vol. Of wil je andere brokjes?” „KONT!! Christ woman.. LIK. MIJN. KONT!!”

Zijn anatomie is het best te vergelijken met een peuterknutselwerkje. Een flinke kastanje waar vier heel korte cocktailprikkertjes uitsteken, of vijf eigenlijk, laat ik zijn staart niet vergeten. Dr. Laurens waste hem dagelijks, op een ernstige manier. Hoewel hij zich zijn laatste maand steeds vaker van dat taakje kweet. Sasaman kan het zelf niet goed, vanwege zijn postuur. Daarom ben ik hem met een lauwwarm washandje gaan wassen.

Dat lijkt hij wel te waarderen, maar wanneer je stopt begint het gemekker weer. „Kont. Kónt! Kom op, doe niet zo kinderachtig, mens. LIK. MIJN. KONT.” Op een gegeven moment ga je er toch kort over twijfelen. Om hem enigszins gerust te stellen sleep ik hem dus maar steeds mee.

Hij doet zijn beklag gezeten op een kussentje naast mijn laptop, jeremieert als hij in mijn bed zijn vlees mag eten vanaf een luxe dienblad, interrumpeert werkelijk ieder gesprek, en zoekt voortdurend oogcontact om zijn anale behoeften schreeuwend kenbaar te maken. Althans, dat hebben we er eerlijk gezegd maar van gemaakt om er nog een beetje om te kunnen lachen. Want hij mist zijn dikke vriend, die niet dik meer was, natuurlijk. En wij ook. Ik troost me met de gedachte dat die bolle zich daarboven vast nuttig maakt, met zijn wastechnieken. De Grote Brokjesfabriek hebbe zijn ziel.