Kan een recensent ook maar meteen interviewen?

Hoe autonoom, of schizofreen, moet een journalist zijn? Kan die tegelijk een film, of boek, recenseren én een interview maken met de regisseur, of schrijver?

Studenten Mediastudies van de Universiteit van Amsterdam stelden me, via hun docent, die laatste vraag. Ze hadden een reeks filmrecensies bekeken, en het was ze opgevallen dat in de NRC-bijlage Film een journalist zowel de filmrecensie als een interview met de makers voor haar rekening had genomen.

Medewerker Sabeth Snijders interviewde de zussen Muriel en Delphine Coulin over hun film Voir du pays, over twee vrouwelijke militairen na een missie in Afghanistan. En ze besprak de film in de recensie ernaast (vier ballen) lovend, zij het met een kanttekening („soms iets te uitleggerige dialogen”).

Kan dat wel, vragen de studenten? Is de journalist dan nog onafhankelijk? Per slot van rekening moet je als recensent afstand bewaren, maar als interviewer moet je juist dichtbij zien te komen.

Ik moet zeggen, het was mij niet opgevallen – de lezers blijkbaar ook niet, want klachten over deze ambachtelijke bilocatie heb ik niet gekregen.

Maar het is wel een goeie vraag, die raakt aan onafhankelijkheid.

Regel is, zegt chef Kunst Paul Steenhuis: scheiden van interview (feiten) en bespreking (mening). Dat is ook het gebruik bij de boekenbijlage, al zijn er altijd uitzonderingen. Niet iedereen spreekt vloeiend Frans, dus recensent Franse literatuur Margot Dijkgraaf interviewde Michel Houellebecq. Maar: nooit gelijktijdig met een recensie.

Bij Film gebeurt dat dus wel. Steenhuis vraagt enige dispensatie voor die redactie, die in een „sterk gereguleerd veld” werkt. Film is een miljardenindustrie, vergelijkbaar met die van de popmuziek. Acteurs en regisseurs zijn vaak alleen te spreken op festivals – en dan kan het voor de hand liggen dat de redacteur die daar de film heeft gezien, ook het interview doet. Ook „wereldse zaken” als budget of tijdnood kunnen nopen tot een uitzondering, zegt Steenhuis. En, vindt hij: dit zijn vakmensen, die kunnen beide genres heus wel aan. Maar het streven blijft: interview en recensie door verschillende auteurs.

Dat blijkt te kloppen. Althans, ik bladerde door drie maanden Film, en meestal (zeven keer) werden recensie en interview door twee verschillende redacteuren of medewerkers gedaan. Maar zó’n hoge uitzondering blijkt een mono-productie ook weer niet: in die steekproef vond ik er vier. Dat is een oogst van ruim een op de drie.

Filmredacteur Coen van Zwol, die het combinatiemenu naar eigen zeggen in de bijlage introduceerde, windt er geen doekjes om: hij vindt het geen probleem. Integendeel, recensie en interview in één hand houden voorkomt nodeloze overlappingen en dubbel werk.

Hij heeft er ook een beroepsfilosofisch argument bij: de dogmatische tweedeling verraadt „een gedateerde, antiquarische blik op objectiviteit”. Want waarom zou een auteur die beide stukken maakt minder onafhankelijk zijn? Je gaat een acteur of regisseur tenslotte pas interviewen als je de film hebt gezien – en interessant genoeg vindt. Hij ziet dus geen principiële bezwaren, het scheiden van interview en recensie vindt hij „anno 2017” niet meer dan „macht der gewoonte”.

Minder filmisch: een hoop gezeur.

Kijk, een interessant dwars standpunt – en ook geen complete onzin. Een journalistieke spelregel kan steriel worden als je niet blijft bedenken waar die eigenlijk goed voor is, en welk doel hij dient. Onafhankelijkheid is een journalistieke deugd, maar: onafhankelijk waarvan en met welk doel?

In dit geval zou ik zeggen: onafhankelijk van de zware publicitaire druk uit de filmwereld. Arbeidsdeling dient om de recensent te beschermen – ja, ook tegen zichzelf – en diens vrije oordeel te waarborgen. In een interview staat de maker centraal – die krijgt een podium om zichzelf uit te leggen – maar in een recensie een beredeneerd oordeel. Dat zijn twee benaderingen die elk een eigen, scherpe focus vragen, die je niet op hetzelfde moment in één journalistieke psychologie moet willen proppen.

Kortom, die regel is er nog steeds niet voor niets. Vasthouden, dus.

Op de achtergrond speelt nog iets anders: wat is het belang van recensies in een tijd zonder gezaghebbende cultuurpausen, waarin iedereen zelf wel uitmaakt wat hij ergens van vindt?

De recensies bij de dubbelproducties in Film zijn vaak zeer kort (soms niet meer dan tweehonderd woorden). Dat betekent dat regisseurs of acteurs, die een direct belang hebben bij de promotie van hun werk, meer ruimte krijgen om hun werk zelf toe te lichten dan de redactie neemt om erover te oordelen. Overigens, de interviews zijn vaak ook kort, in duur; soms maar twintig minuten, vaak in groepsverband.

Een betere, misschien ook gedateerde of zelfs gefossiliseerde hiërarchie lijkt mij de omgekeerde: de redactie velt, met alle deskundigheid en stilistische brille die ze in huis heeft, een afgewogen oordeel over een film of boek – en de regisseur of schrijver ervan mag daarna, af en toe, ook wat zeggen.

Eerlijk is eerlijk, in Film gebeurt dat ook. De bijlage, gemaakt door Van Zwol en collega Peter de Bruijn, is een mooie schakel in het NRC-Cultuursegment, met een gevarieerd aanbod aan achtergrondstukken, recensies en interviews. Maar de filmindustrie is een veeleisend monster, en in de combinatie recensie-interview, gelijktijdig gebracht door dezelfde auteur, wordt de recensie al snel een voetnoot bij het interview. Dat is de omgekeerde wereld.

De moderne amusementsindustrie is een overgeregisseerde juich- en jubelcultuur, waar de journalistiek op gepaste afstand van moet blijven. Recensies – en ja, NRC biedt die gelukkig nog – zijn daar een probaat middel voor.

Juich en jubel? Lees en huiver!

Reacties: ombudsman@nrc.nl