Recensie

Was Venus maar een everzwijn

Hafid Bouazza

Acht drukken verschenen in Shakespeares tijd van het verhalende gedicht Venus & Adonis. In een zwierige Bouazzaanse versie wordt in menig opzicht Shakespeare aan de laars gelapt.

Wie was Adonis ook alweer? De mooiste jongen die er ooit op aarde heeft rondgelopen. We kennen hem uit de Griekse mythologie. In de Metamorfosen van Ovidius zien we hem geboren worden uit een mirreboom. Hij is al meteen van een zeldzame schoonheid, en hij houdt al meteen erg veel van jagen. Venus, de godin van de liefde, wordt verliefd op hem en probeert hem te waarschuwen voor de gevaren van de jacht, maar tevergeefs. Op een kwade dag treft Adonis een wild zwijn dat zich op zijn mooie belager stort. Hij raakt hem met zijn scherpe slagtanden in de lies, waarop de mooie jongen langzaam doodbloedt. Venus kan niet anders dan hem luid bewenen, en uit zijn bloed een bloem laten ontstaan: de windroos.

Dit is het verhaal van Venus en Adonis. Het deed in verschillende varianten de ronde in de oudheid en in de Renaissance. Voor de jonge, nog onbekende William Shakespeare (1564-1616) vormde het gegeven de ideale stof voor een lang verhalend gedicht van 199 strofen van ieder zes regels, in een strak metrum en met een strak rijmschema.

In zijn versie van het verhaal, verschenen in 1593, ligt de nadruk op de strijd tussen de jonge, bleue, alleen in jagen geïnteresseerde Adonis, en de oudere, rijpere, opdringerige, al te hevig in liefde geïnteresseerde Venus, die maar niet begrijpt waarom hij zo afwerend blijft doen. Dit is in het kort de controverse: ‘O leer toch lief te hebben, de les is zo eenvoudig en klaar’, zegt Venus, waarop Adonis antwoordt: ‘Ik ken de liefde niet, […] noch wil ik haar kennen, / behalve als zij een everzwijn is, dan zal ik op haar jagen.’

Venus & Adonis is een snel, sierlijk en geestig gedicht, vol scherpe tegenstellingen tussen afstoten en aantrekken, groen en rijp, mens en godin, jacht en liefde, met alle kansen voor dubbelzinnigheden, geraffineerde ‘wit’ en vernuftige ontkenningen. Het gedicht werd al meteen een groot succes. Tijdens Shakespeare’s leven verschenen er acht drukken.

Venus & Adonis is in korte tijd drie keer vertaald. In 2000 was het Jan Jonk (uitgeverij Papieren Tijger), in 2014 Peter Verstegen (Van Oorschot), en nu is het Hafid Bouazza die zich eraan gewaagd heeft. Hij heeft de amoureuze betrekkingen tussen Venus en Adonis niet in modern Nederlands vertaald, maar in het Bouazzaans: zijn wonderlijke, weelderige, soms opmerkelijk archaïsche versie van het Nederlands.

Het is een taal van oude en ongebruikelijke woorden. Bij Bouazza (1970) maakt het paard ‘een courbette’ (een korte boogsprong). Venus en Adonis spreken van ‘een hakkenei’ (een telganger). Een kind wordt ‘gedodijnd’ (zacht gewiegd). De beeltenis van Adonis ‘ligt geheel bekroosd met rinsel’ (geronnen bloed, denk ik). De haas ‘schrankt’ (zigzagt) in duizend scherpe bochten. Naast oude woorden staan eigen woordvondsten: ‘het hardhoofse knaapje’, het ‘snaveltortelen’ van verliefde duiven. De tegenzin van Adonis: ‘met een trek van lood’.

Soms doet Bouazza er wat middeleeuwse hoofse poëzie tussendoor: ‘Zottekijn, […] en zul jij mijn harte zijn.’ Soms vertaalt hij gewoon letterlijk wat er staat. ‘Flint-hearted boy’ wordt ‘vuursteenhartige knaap’. En ‘Strong-temper’d steel his stronger strength obey’d‘ wordt ‘Staal van krachtig allooi gehoorzaamde zijn krachtigere kracht’. Raar.

Maar in het eigenzinnige zwierige Nederlands van Bouazza vallen dit soort rarigheden nauwelijks op. Uit het laatste voorbeeld blijkt ook dat hij het met de regellengte van Shakespeare niet zo nauw neemt: zestienlettergrepen tegenover tien in het origineel – en zo is het meestal. Het rijmschema neemt hij ook niet over. Het verlies van eindrijm wordt gecompenseerd door veel beginrijm en binnenrijm – en veel zwier op allerlei manier.

Het is mooi, barok en bijzonder Nederlands, maar de waarheid is wel dat ik sommige passages niet, of pas na veel herlezing begreep. En de waarheid is ook dat ik het hele gedicht veel beter, en sneller, begreep toen ik de veel getrouwere en veel soepeler vertaling van Peter Verstegen erbij nam. Verstegen geeft ook veel meer, en veel gedegener toelichtingen. Maar daar staat dan weer de charme van de grilligheid van Bouazza tegenover, ook in zijn aantekeningen, bijlagen en nawoord. Gaat het u om Shakespeare, koop dan de versie-Verstegen uit 2014. Gaat het u om het Bouazzaans, koop dan de versie-Bouazza. En dan krijgt u er ook nog dertig illustraties van Marlene Dumas bij.