Opinie

Universiteit, geef de burger een droom. Niet enkel feiten

Academici drijven de spot met de politiek van alternatieve feiten en zoeken bevestiging bij geestverwanten. Toon liever moed, betoogt . Neem het burgerlijk wantrouwen weg met verbeeldingskracht.

Studenten vieren feest op de Maliebaan, introductiedagen Domstad. Foto ANP / Michael Kooren

Universiteiten zijn van bijzondere waarde voor steden. Niet alleen als bron van werkgelegenheid of als academische instelling, maar vooral vanwege hun bijdrage aan het leven in de stad. Het omgekeerde geldt ook: steden zijn voor universiteiten eveneens van bijzondere waarde. De opbloei van de Europese steden aan het eind van de Middeleeuwen en de heropleving van de wetenschappen waren nauw met elkaar verbonden.

Zo begon de Verlichting, zo bevochten wij ruimte voor onderzoek en rationele overweging op het primaat van aristocratie en kerk. Sindsdien bleven universiteiten bij uitstek stedelijke instellingen.

Toch hebben steden en universiteiten, town and gown, elkaar ook fel bestreden. Denk aan ‘the battle of Saint Scholastica Day’. Op 10 februari 1355 liep een onbenullige ruzie in een pub uit de hand. Dagenlang was Oxford het toneel van schermutselingen en confrontaties tussen stedelingen en studenten.

Dit was bepaald geen uitzonderlijk geval. In de loop der eeuwen zijn er heel wat bakstenen, kogels en sneeuwballen over en weer gevlogen tussen stedelingen en studenten. Geregeld gingen ze op de vuist om hun territorium te verdedigen. Voor studenten was de universiteit een plaats van mogelijkheden, hoop en ambitie. Stedelingen, echter, ergerden zich aan het luidruchtige en soms aanstootgevende gedrag van studenten, en koesterden niet de minste illusie dat ze zelf ooit deel zouden uitmaken van die bevoorrechte groep, die zich zo nadrukkelijk vermaakte, en zich tegelijkertijd verzekerd wist van een fraaie carrière.

Satire scheidt onze werelden nog meer

Maar hoe zit het met de relatie tussen stad en universiteit in onze tijd? Steden onderkennen het fundamentele belang van universiteiten voor werkgelegenheid en economische ontwikkeling. Universiteiten realiseren zich terdege hoe sterk hun eigen aantrekkingskracht afhankelijk is van de stedelijke kwaliteit. Hun samenwerking in ‘Economic Boards’ en soortgelijke instanties laat zien dat ze nu vaak samen optrekken.

Zodra mensen uit Trumps staf de zoveelste blunder begaan, vermaken we ons daarover binnen onze kring van collega’s en vrienden

Hoe duurzaam is die harmonieuze relatie? Volgens de laatste inzichten leven we in een wereld van ‘bubbles’, sociale media en alternatieve feiten – een discours waarin de wetenschap niet direct wordt gezien als hoeksteen van beraadslaging en besluitvorming. De meesten onder ons zien dit alles met verbazing aan.

Het is niet moeilijk om dat discours van ‘alternatieve feiten’ belachelijk te maken – en dat doen we dus ook, buitengewoon goed zelfs. Voor Stephen Colbert, John Oliver en Arjen Lubach ligt het materiaal voor het oprapen. Maar satire scheidt onze werelden nog meer.

Zodra mensen uit Trumps staf de zoveelste blunder begaan, vermaken we ons daarover binnen onze kring van collega’s en vrienden, en delen dat met ons netwerk op sociale media. We bespotten de wereld van de anderen en zoeken bevestiging bij onze geestverwanten dat bepaalde gebeurtenissen buiten onze eigen kring te krankzinnig voor woorden zijn.

Tegelijkertijd zien we met Lubach de terugkeer van de hofnar in de politiek. Lof der Zotheid in een nieuw jasje. Erasmus wist dat de hofnar de waarheid spreekt. In de huidige wereld van bubbles en mediahypes wordt Lubach gezien als betrouwbare bron van informatie.

Ondertussen verschansen wetenschappers zich in de eigen universitaire wereld van feiten. Beweer nooit iets wat niet bewezen kan worden, roepen ze. Houd je bij de feiten! Natuurlijk, „iedereen heeft recht op zijn eigen mening, maar niet op zijn eigen feiten”. Deze uitspraak, toegeschreven aan de Amerikaanse senator Daniel P. Moynihan, is volkomen terecht.

Onderken het gevoel van bedreiging

Toch zou het een vergissing zijn als de wetenschap zich terugtrekt in het kasteel van de feiten. We wanen ons veilig in dat kasteel, maar miskennen zo wel tientallen jaren onderzoek naar de achtergrond van maatschappelijke onvrede.

Onenigheid over feiten heeft vaak te maken met de manier waarop de autoriteiten omgaan met mensen voor wie bepaalde bevindingen relevant zijn. Denk aan de recente controverse over het vaccineren van 12-jarige meisjes, of over de Groninger aardbevingsschade. Wijsheid en begrip zijn in dit soort zaken net zo belangrijk als feiten. Wetenschap is er om te duiden, om mensen te helpen met wat Anthony Giddens ooit ‘ontologische onzekerheid’ noemde. Velen weten niet waar ze aan toe zijn en of er ze er nog wel toe doen.

Neem de klimaatverandering. Politiek gezien gaat het er niet om dat we mensen moeten overtuigen van de feiten. Waar het om gaat is dat we een haalbare strategie uitstippelen om klimaatverandering tegen te gaan.

Het gaat niet om het onderscheid tussen wetenschappelijke feiten en publieke opinie. Dan zouden we suggereren dat de samenleving gewoon naar de wetenschap moet luisteren. Maar die vanzelfsprekende autoriteit hebben we niet meer. En dat is maar goed ook. Die tijd is voorbij, juist doordat de bevolking beter opgeleid is – mensen die nu niet schromen wetenschappelijke feiten te betwisten.

Met hulp van Google kan iedereen tegenwoordig op zijn minst een aantal relevante vragen formuleren. Dit geldt niet alleen voor wetenschappers. Ook iedere huisarts maakt dit dagelijks mee, iedere leraar en iedere politicus.

Onderken dat mensen zich bedreigd kunnen voelen door maatregelen tegen klimaatverandering. Hoe bizar ook, beleid tegen klimaatverandering kan bedreigender overkomen dan het klimaat zelf. Velen hebben het gevoel dat ze iets moeten inleveren. De kunst is om deze mensen een toekomstperspectief te geven.

Speak truth to power

Besef hoe sterk de overeenkomst tussen nu en de jaren vijftig is. Toen was het somberheid troef. De dreiging van een kernoorlog hing in de lucht. De elite had geen aansluiting meer bij de massa.

Juist in die periode schreef C. Wright Mills een opmerkelijk boek, The Sociological Imagination, waarin hij betoogde dat de universiteit inzicht moet verschaffen in het verband tussen geschiedenis en biografie. Mills introduceerde ‘particuliere problemen’ en ‘openbare kwesties’ als conceptueel paar. Het is zinvol dit verband weer eens onder de loep te nemen.

Wat staat ons te doen? Ten eerste moeten we te allen tijde de machthebbers de waarheid blijven zeggen, of, in de woorden van Aaron Wildavsky, „speak truth to power”. In deze tijd wekt het geen verbazing dat mensen zich onzeker voelen.

Het is in zekere zin een verdienste van het publiek debat en de democratie dat burgers de simpele oplossingen die politiek leiders hun voorschotelen, niet langer slikken. Voorbeeld is Wolfgang Streeck, een collega die niet bepaald bekend staat vanwege zijn revolutionaire inborst. Hij schreef How will Capitalism End, een pijnlijk en confronterend werk, maar ook een demonstratie van goede wetenschap. Je wordt er echter niet vrolijker van.

Er is nu behoefte aan nauwgezet en moedig onderzoek naar de bron van de maatschappelijke instabiliteit. Als we een evenwichtig beeld kunnen geven, zal dat de legitimiteit van de wetenschap versterken.

Het is essentieel machthebbers de waarheid te vertellen, maar we moeten ons realiseren dat dit in een wereld van bubbles een lastige en intimiderende taak kan zijn. Als academici zich betrokken tonen, komt ze dat vaak duur te staan. Het feitenkasteel biedt onvoldoende bescherming tegen aanvallen vanuit de sociale media.

“Er is nu behoefte aan nauwgezet en moedig onderzoek naar de bron van de maatschappelijke instabiliteit.”

Wie vandaag de dag machthebbers de waarheid wil zeggen, krijgt maar al te vaak beledigingen en zelfs bedreigingen te verduren. Het is van het grootste belang dat universiteiten hun personeel in dergelijke situaties veel actiever gaan beschermen.

Ten tweede moeten we weer met verbeelding naar de toekomst kijken. We leven in een periode waarin velen domweg niet weten hoe het verder moet. Voor een doorbraak volstaat het niet om te vertrouwen op de feiten alleen. Soms kan dat ook niet. We moeten meer moed tonen en onze verbeeldingskracht in stelling brengen om beter inzicht te bieden in het heden, en nieuwe wegen naar de toekomst.

Koers zetten naar het onbekende

In de jaren dertig en veertig kwamen intellectuelen in verschillende groepen bijeen. Sommigen zochten naar het ultieme wapen tegen de nazi’s, anderen dachten na over een stabiele wereldorde na de oorlog. Grote geesten als Keynes en Beverage formuleerden een plan voor een welvaartsstaat. Dat was hún beeld van de gewenste toekomst. Zij wisten natuurlijk niet of het wettelijk pensioen en een universele ziektekostenverzekering betaalbaar zouden zijn. Ze maakten een plan, het was aan politici om die wereld te creëren. Zij bleven ook niet binnen de universiteit, maar toonden engagement – zonder onafhankelijkheid te verliezen.

Markante persoonlijkheden als Keynes, die zich bij tijd en wijle per motor van Cambridge naar Londen haastte om namens zijn college te speculeren op de beurs, kunnen we niet zomaar reproduceren. Wat we wél kunnen is het imago van universiteiten versterken als instellingen die bijdragen aan een betere toekomst.

Daarbij moeten wij als wetenschappers niet vergeten hoe moeilijk het is te denken buiten de taal die wij tot onze beschikking hebben. We hebben het over de stijgende ‘concentratie CO2’ of de grens van 400 ‘parts-per-million’. Maar kunnen we er wel van uitgaan dat iedereen zich neerlegt bij een pakket maatregelen enkel om de ‘CO2-uitstoot’ binnen de perken te houden? De samenleving laat zich niet overtuigen door feiten, maar wel verleiden door perspectieven. Ook dat is een academische discipline. Hier zien we de discrepantie ten voeten uit: we maken ons zorgen om de wereldwijde CO2-uitstoot en pleiten voor uitfasering van olie en gas, maar jonge gezinnen dromen juist van een huishouden dat is ingericht rond een stoer Boretti-gasfornuis. Als wij niet wezenlijk bijdragen aan een nieuwe verbeelding van het goede leven in het post-fossiele tijdperk, dan gaan wij de strijd tegen klimaatverandering niet winnen. Onze allerbeste wetenschappers moeten naar voren treden en samenwerken in nieuwe coalities die openstaan voor frisse ideeën.

De universiteiten moeten hun plek nog vinden in deze eeuw. Ik stel voor dat we ons niet terugtrekken in het kasteel, maar juist kiezen voor een stedelijke strategie; de stad dus, in plaats van het kasteel. Universiteiten zijn in een stedelijke omgeving ontstaan. De stad bood ze bescherming en de vrijheid om de wereld te onderzoeken en te doorgronden, brutale vragen te stellen en koers te zetten naar het onbekende.

In onze wereld van afgescheiden bubbles waarin het politieke bedrijf grotendeels via de media verloopt, is macht voor de autoriteiten geen vanzelfsprekend gegeven meer en kunnen stad en universiteit weer samen optrekken.

Fysieke ontmoetingsplek, voor minister, burger en ngo

Laten we het imago van de universiteit als een plaats van mogelijkheden, hoop en ambitie versterken. Wereldwijd via onderzoek naar de gelaagdheid van de huidige crisis en een nieuwe verbeelding van een toekomst met perspectieven; en op plaatselijk niveau via uitbreiding van onze interactie met de stad, niet alleen op bestuurlijk niveau maar op alle niveaus.

De relatie tussen stad en universiteit is altijd ook een fysieke geweest. De nabijheid van de stad bleek niet alleen uit de vele schermutselingen, maar was een voorwaarde voor veel interventies die de wereld hebben veranderd. Ook dat fysieke aspect moeten we weer koesteren. Wellicht is dat het beste antwoord op de uitdagingen van een wereld van bubbles en mediahypes. Niets heeft zoveel kracht als directe interactie. Niets maakt zoveel indruk als een relatie waarbij je elkaar recht in de ogen kijkt. We moeten de stad laten zien wat we kunnen, door ‘living labs’ op te zetten en de stad te helpen sneller te innoveren.

Laten we het imago van de universiteit als een plaats van mogelijkheden, hoop en ambitie versterken

Laten we ook de ontbijtsessies koesteren, waarin academici samen met ondernemers nieuwe ontwikkelingen op gang brengen. En we kunnen experimenteren met ‘weekendscholen’ waarin de beste leerlingen uit alle stadswijken van Utrecht al op jonge leeftijd ervaren wat academische vrijheid betekent en hun ambities verder ontwikkelen. We kunnen een nieuwe stadscampus aanleggen, pal naast de Jaarbeurs, met een grootstedelijk, markant gebouw dat ons open vizier van de universiteit naar de wereld tot uitdrukking brengt.

Laten we de relatie tussen stad en universiteit van een nieuwe betekenis voorzien; één waarin de universiteit uitgroeit tot fysieke ontmoetingsplek, waar burger of minister, leerling uit de buurt of wereldwijde ngo zich welkom weet en door de universiteit ook als zodanig wordt ontvangen.