Recensie

Soevereine Van Rijen in MacMillans Tromboneconcert

MacMillans nieuwe en caleidoscopische Tromboneconcert werkt geweldig door toverachtige orkestraties en een verbluffende interactie tussen solist en kopersectie.

Foto Renske Vrolijk

Het viel Jörgen van Rijen, solotrombonist van het Concertgebouworkest, telkens op als er muziek van James MacMillan op de lessenaars verscheen: de fantastische koperpartijen. Toen hij tijdens een etentje bij de componist aan tafel belandde, greep hij zijn kans en vroeg hem een concert voor de trombone te schrijven. Donderdag ging het in première.

Het nieuwe werk bleek vintage MacMillan. Wonderlijke timbremengsels, sacraal opgloeiende melodieën, welluidende akkoorden en oorsplijtende klankerupties – en dat alles in een contrastrijke, caleidoscopische vorm met een hymnisch thema als verbindend element.

Grom- en raspkunde

Bij een mindere componist zou het onherroepelijk verzanden in ergerlijke kitsch. In MacMilllans handen werkt het. Misschien zijn het zijn toverachtige orkestraties, waarin houtblazers vloeibaar door een klankfiligraan van harp en vibrafoon sijpelen. Of waarin vlak na elkaar spelende strijkers, piano en harp een vreemd echo-effect sorteren. Of plots een apocalyptische ketelmuziek opwelt uit slagwerk, koper en sirene.

MacMillans affiniteit met koperinstrumenten (hij speelde zelf een blauwe maandag trompet) bleek uit de staalkaart aan speeltechnieken die Van Rijen voor zijn kiezen kreeg. Rap repeterende noten, duivelse loopjes, hogere grom- en raspkunde. Maar ook vocaal gedacht lijnenspel met diverse dempers.

Gedrooms showpiece

Al met al bleek het Tromboneconcert een gedroomd showpiece voor een soeverein spelende Van Rijen. Komende concertseizoenen herneemt hij het werk in onder meer Dallas, Antwerpen en Genève. Hopelijk komt de door MacMillan zorgvuldig geregisseerde interactie tussen solist en trombonesectie dan net zo verbluffend uit de verf. Onvergetelijk: die laatste theatrale tetterdialoog, waarin Van Rijen en zijn collega’s een machtig loeiende mammoetmuziek ontketenden.

Dvořáks Zevende symfonie staat te boek als zijn meest duistere en onstuimige. Dirigent Iván Fischer onderstreepte die reputatie met hoekige accenten, stuwende fraseringen en expressieve rafelrandjes in de klank. In het Poco Adagio imponeerden de klarinetten, die ook in Bartóks Hongaarse Schetsen al zo voortreffelijk soleerden.