Interview

Branko Milanovic over wereldwijde ongelijkheid

De Amerikaans-Servische econoom schreef een boek over de verschillen tussen arm en rijk op wereldniveau. ‘Technologie en globalisering zijn barsten in het systeem.’

‘De economische situatie van de middenklasse is in dertig jaar tijd sluipenderwijs verslechterd. ’ Lars van den Brink

‘Op verschillende momenten in de geschiedenis van de mensheid zie je dat er schuldenverlichting nodig is om het systeem te redden”, zegt de Servisch-Amerikaanse onderzoeker en voormalig econoom van de Wereldbank Branko Milanovic. „Schuldenverlichting of in ieder geval een soort kwijtschelding bestond al in de Romeinse tijd. Of nog verder terug, in de Babylonische tijd. Wat Dijsselbloem en de Eurogroep nu met Griekenland doen is een historische poging om een kale kip te plukken, ‘to bleed a stone’ zoals wij zeggen.”

Branko Milanovic (1953) is in Amsterdam om zijn boek Wereldwijde ongelijkheid te promoten, dat vorig voorjaar verscheen als Global Inequality. Twee wapenfeiten maakten hem beroemd. Het eerste is zijn lovende recensie van Kapitaal in de 21ste eeuw van Thomas Piketty, die hij publiceerde terwijl de rest van de wereld het boek nog negeerde. Het tweede is de ‘olifant-curve’, de grafiek die laat zien hoe het inkomen van zo ongeveer iedereen ter wereld steeg sinds de jaren tachtig, behalve van de westerse middenklasse. De olifant-curve wordt door veel economen gebruikt om de woede van de middenklasse en de opkomst van Trump en Wilders te verklaren.

Milanovic is een opgetogen spreker. Maar zodra het over Griekenland gaat, zucht hij diep. „Als je de situatie van Griekenland vergelijkt met die van de Oost-Europese transitielanden uit de jaren negentig (die overgingen op een vrije markt-economie, red.), zoals Servië, dan staat Griekenland er nu veel slechter voor. De dip hoort kort te zijn. Maar voor de Grieken is er geen licht aan het einde van de tunnel. In juli hebben ze weer geld nodig van de trojka en dan wordt de crisis weer groter.”

In uw boek onderzoekt u ongelijkheid over de grenzen van landen heen, de verhoudingen tussen arm en rijk op mondiaal niveau. Waarom is ongelijkheid eigenlijk een probleem?

„Het is ten eerste een morele kwestie. Net als de politiek filosoof John Rawls ga ik er vanuit dat mensen fundamenteel gelijk zijn en dat elke stap verder weg van die gelijkheid verantwoord moet worden: komt het door inspanning, geluk, opleiding, intelligentie of iets anders.

„Ongelijkheid zou niet lukraak mogen bestaan. We moeten ervan uitgaan dat ongelijkheid een begrijpelijke oorzaak heeft. Daarnaast heb ik een instrumenteel bezwaar tegen te veel ongelijkheid. Empirisch onderzoek laat overtuigend zien hoe in een bepaalde context de economische groei van een land wordt tegengehouden door grote inkomensverschillen. Bijvoorbeeld wanneer de rijken in een samenleving zo geïsoleerd zijn van de rest dat ze hun interesse verliezen in openbaar onderwijs of gezondheidszorg. Daarmee remmen ze de ontwikkeling van zowel armere mensen als de samenleving als geheel af. De derde reden dat ik tegen grote ongelijkheid ben is dat die leidt tot een onverantwoorde concentratie van politieke macht bij de elite. De invloed van geld op de politiek is zo groot dat de rijken de regels bepalen van het spel waar ze zelf aan meedoen.”

Politiek lijkt het nu een strijd te zijn tussen economische en sociale rechtvaardigheid.

„Met die tegenstelling ben ik het oneens. Het een kan niet zonder het ander. Je kan deze situatie in de politiek niet begrijpen zonder economie én identiteit. De economische situatie van de middenklasse is in dertig jaar tijd sluipenderwijs verslechterd. Je merkt het pas als je ineens achterblijft en het land om je heen in een plutocratie is veranderd. De laatste jaren is er een kookpunt bereikt. De achtergebleven middenklasse grijpt naar zondebokken: migranten, buitenlanders, de opkomst van China.

Links herhaalt telkens het liedje van de jaren negentig. Er zit niks bij voor de groep die niet profiteert van globalisering

„Stel je het tegenovergestelde voor, dat het alleen om identiteit zou draaien. Als economische motieven niets verklaren, zijn rijke mensen dan minder xenofoob? Natuurlijk niet. Maar de belangen van de rijke klasse vallen nu samen met het systeem. De rijken houden van reizen en van handelen, dus van open grenzen. De achtergebleven middenklasse profiteert niet van het systeem en wil verandering.”

Verklaart dat ook waarom de rijke landen nu zo’n ruk naar rechts maken?

„Ja, maar daarnaast voert links een hopeloze ideologische strijd. Een grote groep voelt zich bedreigd door het systeem en links heeft nauwelijks nieuwe voorstellen. Rechtse partijen stellen dingen voor die misschien niet werken of verkeerd zijn, maar het zijn in ieder geval níeuwe voorstellen. Links herhaalt telkens het liedje van de jaren negentig. Er zit niks bij voor de groep die niet profiteert van globalisering.”

Hoe verhoudt uw onderzoek zich tot Piketty’s ‘Kapitaal in de 21ste eeuw’?

„Ik vond zijn onderzoek geweldig. Maar Piketty onderzocht vooral wat er in rijke landen gebeurt. Op basis van een enorm aantal gegevens ontkracht hij de economische theorie dat ongelijkheid bij economische groei hoort en vanzelf afneemt. Piketty is genadeloos in zijn oordeel over de economische wetenschap. Ik ben minder streng.

„We hebben de beschikking over steeds meer data, waardoor we meer weten. In mijn boek laat ik zien hoe ongelijkheid zich op lange termijn in golven ontwikkelt, de zogenoemde Kuznetz-waves.

„Globalisering en industrialisering veroorzaakten enorme ongelijkheid aan het begin van de twintigste eeuw. Dan krijg je in de jaren zeventig, door de verwoestingen van de oorlog maar ook door beter onderwijs, een periode van afnemende ongelijkheid. Maar die neemt in de jaren tachtig weer toe. En die groei is fors, dankzij een combinatie van open grenzen, technologie en politieke keuzes. Het is een golf.”

U hebt het over ‘golven’ en niet over een ‘golf’? Gaat dit proces zo door?

„Helaas hebben we niet genoeg informatie om een lijn van vloeiende golven te tekenen over een periode van eeuwen in de geschiedenis. Dat zou prachtig zijn, maar ongelijkheid is nooit zo eenduidig. Een ander moment waarop je duidelijk een Kuznetz-golf ziet is tijdens de Middeleeuwen. De pest veranderde tijdelijk de verhoudingen tussen kapitaal en arbeid. Er was een tekort aan arbeidskrachten en daardoor gingen de lonen omhoog. Dat was tijdelijk, want toen de bevolking weer toenam, steeg ook de ongelijkheid weer. Erger nog, toen er genoeg arbeiders waren maakten de landheren van de gelegenheid gebruik om nog meer van ze te vragen dan daarvoor. Het verschil met de oude tijden is dat de golven toen vooral veroorzaakt werden door niet-economische omstandigheden.”

Welke economische omstandigheden veroorzaken nu die golven?

„Technologie en globalisering zijn barsten in het systeem. Die veroorzaken een impuls van economische groei. Tot 1820 kenden we dat niet. Toen groeide de economie langzamer. De introductie van stoomkracht, spoorwegen, elektriciteit veranderde alles. Dat geldt ook voor de iPhone. Na de introductie van deze technologieën neemt de ongelijkheid iets af, doordat nieuwe spelers de technologie kopiëren en goedkoper maker. Maar vergeet niet dat zij die er als eersten bij zijn niet alleen het grootste gedeelte van de winst opstrijken, maar ook enorme rentes. Een technologische revolutie in een systeem van open grenzen zorgt wereldwijd voor een grote kloof tussen rijk en arm.”

In ‘Kapitaal in de 21ste eeuw’ lijkt het steeds op vechten uit te draaien.

„Je moet vaststellen dat door de wereldoorlogen de ongelijkheid tijdelijk is afgenomen. Piketty zegt niet wát oorlog veroorzaakt. Je zou best kunnen zeggen dat een grote ongelijkheid daarmee samenhangt. Dat is een bekend argument van Lenin en van de Britse econoom Hobson, die een ongelijke inkomensverdeling als verklaring zagen voor WOI.”

Zie je zo’n dynamiek nu ook?

„Aan het eind van de negentiende eeuw zag je dat rijke landen hun kapitaal naar het buitenland verplaatsten, omdat je daar sneller winst kon maken. Een van de problemen was dat zo’n land failliet kon gaan en dat ze daardoor hun geld kwijtraakten. Rijke landen hielden onder meer om die reden een enorme vinger in de pap van de landen waarin ze investeerden. Nu hoef je daar niet meer zo bang voor te zijn. We hebben een ineen gevlochten internationale economie, met de Wereldbank, de Europese Unie en tal van handelsakkoorden.

„Toen het Ottomaanse Rijk dreigde in te storten, stuurden de Engelsen hun vloot om hun geld terug te krijgen. Nu hebben rijke landen zorgen over Griekenland, maar ze sturen niet meteen hun vloot eropaf. Er zijn andere middelen. De Europese Unie bijvoorbeeld.”

Levert deze opleving van onderzoek naar ongelijkheid nog iets op?

„Absoluut. Het is vooral belangrijk dat dit onderzoek niet alleen linkse onderzoekers interesseert. Ook het IMF doet steeds meer onderzoek naar ongelijkheid, net als de rechtse denktanks in Washington. Het is niet alleen maar torenkamertjes-research en dat is goed nieuws. Nu maar hopen dat de politiek er beleid van gaat maken.”