Zijn getuigenis over misbruik veroorzaakte een lawine in Katholieke Kerk

Mark Vangheluwe

Vijftien jaar lang werd Mark Vangheluwe misbruikt door Roger Vangheluwe, zijn oom en later de bisschop van Brugge. Hij schreef er een boek over, Brief aan de paus.

‘We dragen het verslag in het bijzonder op aan de moed van het slachtoffer waarmee alles begon, op 23 april. Een man van veertig die durfde te getuigen over seksueel misbruik, tegen alle hiërarchie in. Het dwong respect af, het gaf een onbekende massa plots een stem.”

Het citaat van kinderpsychiater Peter Adriaenssens staat in het voorwoord van het eindrapport van september 2010 van de commissie-Adriaenssens, de kerkelijke commissie tegen seksueel misbruik in een pastorale relatie.

De man van wie Adriaenssens de moed bewondert, heet Mark Vangheluwe (49). Hij is de neef van de voormalige bisschop van Brugge Roger Vangheluwe. Door zijn oom de bisschop werd hij misbruikt van zijn 5de tot zijn 19de. In een „relatietje”, zoals de gevallen bisschop dat op 14 april 2011 in een interview met de zender VT4 zou noemen.

Bijna exact een jaar eerder, op 23 april 2010, was de val van de bisschop van Brugge op een persconferentie met alle hooggeplaatsten van de Belgische Kerk bezegeld. Na het getuigenis dat zijn neef een paar weken eerder bij de commissie-Adriaenssens had afgelegd, kon de bisschop niets anders meer dan opstappen. Ook en vooral omdat de bisschop wist dat er een geluidsopname bestond van een gesprek op 8 april waarin hij – Roger Vangheluwe – het misbruik opbiechtte aan de familie en aan kardinaal Danneels. De zogenaamde Danneels-tapes.

Met zijn getuigenis veroorzaakte ‘de neef van de bisschop’ een lawine in de Vlaamse Katholieke Kerk. De beerput van het jarenlang verzwegen misbruik in de katholieke kerk in Vlaanderen liep in de maanden daarna eindelijk helemaal leeg.

De ‘neef van de bisschop’ trok zich daarna opnieuw terug op de achtergrond. Op zijn manier leeft ook hij, net als zijn ‘nonkel Roger’, vandaag nog altijd in het verborgene. Teruggetrokken in ‘zijn paradijs’, zoals hij het noemt. Een bonk van een kerel midden in de natuur. In zijn eigen, kleinschalige wereld, waar hij samen met zijn vrouw en hun drie kinderen leeft. Tot voor kort was hij alleen maar bekend als ‘de neef van’. Maar zeven jaar na het aftreden van de bisschop van Brugge heeft ‘de neef’ een eigen naam gekregen. Onder die naam, Mark Vangheluwe, heeft hij een boek geschreven. Een boek dat de adem afsnijdt, met als titel Brief aan de paus.

„Ik heb dat boek niet zozeer voor mezelf geschreven, als wel voor mijn kinderen. Opdat ze alles wat gebeurd is later beter zouden kunnen plaatsen en opdat ze de naam Vangheluwe weer met enige trots zouden kunnen dragen. En omdat ik hoop dat andere mensen die met een trauma zitten er iets aan zullen hebben. Wat er met mij gebeurd is, is niet iets om trots op te zijn. Ik voel me eigenlijk beschaamd, bepoteld en gekrenkt. Het is niet eenvoudig met zoiets naar buiten te komen.”

Eén keer wou Mark Vangheluwe met de pers praten. Daarna zal hij zwijgen en zijn boek laten spreken. Daaruit legde De Standaard hem een aantal citaten voor.

Het lijkt erop dat ik een gewone gelukkige jeugd heb gehad, de foto’s en de filmpjes die vader maakte bewijzen dat ook, maar ze zeggen niet alles. De werkelijkheid is soms anders dan mooie beelden uit het verleden. Op foto’s is niet te zien hoe er in mijn jeugd een soort bacterie ongemerkt bij mij binnengedrongen is en het leven veranderde. De microbe zette zich vast en verspreidde zich door het hele lichaam, zoals olie zich verspreidt op zee en niet meer op te ruimen valt. De aandoening tastte op de duur mijn hele doen en laten aan en maakte me het leven haast onmogelijk. De ziekte leek besmettelijk want heel de familie deelde in de brokken.

„Heftig, hé? En toch heeft de bisschop mijn leven niet kapotgemaakt. Integendeel, hij heeft het rijker gemaakt. Tenminste, dat is wat ik mezelf soms wijsmaak, omdat het leven anders onleefbaar zou zijn. Ik ben geworden wie ik nu ben door wat hij met mij gedaan heeft. Daar valt niet aan te ontkomen.

„Ik heb soms ook de indruk dat ik hem begrijp. Ik besef dat wat ik nu zeg eigenlijk niet uit te leggen valt, maar toch is het zo. De bisschop is een man met lusten, zoals iedere man. Door dat instituut waar hij in zat en door de omstandigheden is hij zo geworden en heeft hij gedaan wat hij gedaan heeft. Maar dat betekent niet dat ik het hem vergeef, om het in hun vaktermen te zeggen.

„Als hij hier binnenkwam, zou ik hem niets aandoen. Integendeel, ik zou hem een pot koffie aanbieden. Ik zou zeggen, lees het boek eens, we zullen er eens over praten. Misschien doet zich dan wel een mirakel voor en beseft hij eindelijk dat de schuld bij hem ligt.

„U mag dat raar vinden maar dat is niet zo raar. Dat is typisch aan kindermisbruik. Dat je een band blijft hebben met de dader. Het is een vorm van het stockholmsyndroom. Peter Adriaenssens zegt: ‘Ik heb ongelooflijk veel bewondering voor uw mildheid.’ Maar ik vind niet dat mildheid een gebrek is. Mildheid is de enige manier om vooruit te gaan. Al de rest is alleen maar negatieve energie.

„Iedereen kan fouten maken, ook de bisschop. Ik vergeef het hem niet maar ik heb begrip.

„Mijn leven had er ongetwijfeld heel anders uitgezien zonder dat misbruik. Ik kan daar veel over nadenken maar ik kan me geen leven zonder inbeelden. Net zoals een blinde niet kan weten hoe het leven van een ziende is.

„Ik kijk veel naar andere mensen. Als ik de koningin zie, die heeft een zuiver gevoel, en ik heb dat niet. Maar uiteindelijk zie ik ook veel mensen die net als ik ergens in vluchten: werk, macht, eten, drugs, noem maar op. Iedereen heeft iets. Iedereen heeft een trauma.

„Maar op de duur kan je op die manier alles weg relativeren, dat is natuurlijk ook een probleem. Dan is er niets meer belangrijk en is er niets gebeurd. Dan is er alleen maar leegte.”

Erover praten is niet makkelijk maar het voelt als een plicht het toch te doen. Ik hoop daardoor wat rust te vinden. Ik weet dat een mens altijd geneigd is te ontkennen al wat hem onbegrijpelijk is, maar daar geraak ik niet verder mee. Het liefst had ik gewild dat mijn ouders gewoon de moeite hadden gedaan om te luisteren naar hetgeen was gebeurd, zonder me telkens te onderbreken met hun versie en hun visie. Ik had graag gehad dat vooral vader eindelijk eens een poging deed om wat empathie te tonen en zich gewoon eens inspande om te luisteren naar hetgeen ik wilde zeggen. ‘Het is toch zo erg niet, negeer en doe voort, verdomme toch’, zei hij. Vader streed meer voor de glorie van broerlief dan mij te aanhoren en op te komen voor zijn zoon, en dat deed pijn. Dat vond ik zo onrechtvaardig.

„Mijn vader is zeven maanden geleden overleden. Zijn broer heeft vanuit het verborgene nog met hem gebeld drie dagen voor zijn overlijden, op zijn ziekbed. Ik zat erbij toen, maar dat wist nonkel Roger niet. Het was voor beiden een afscheid dat ze zich anders hadden voorgesteld. Koel en doods.

„Vader heeft me in zijn laatste dagen gezegd dat hij spijt had en dat hij vond dat hij zijn vaderschap niet goed had opgenomen. Hij had er oprecht spijt van, dat voelde ik.

„Vader was, net als iedereen, ook een slachtoffer van de situatie waar hij in zat. De Katholieke Kerk was voor hem de waarheid en het leven. Hij zat in die wereld. Hij zat ook verstrikt in zijn logica. Vader heeft dat niet moedwillig gedaan.

„Hij heeft de baan bewandeld die hij dacht te moeten bewandelen. Hij heeft te laat gezien dat hij mij beter had moeten bijstaan. Omdat zijn broer zoiets niet doet en een bisschop al zeker niet. Ik heb dit boek ook voor hem geschreven en ik heb spijt dat hij het niet gaat kunnen lezen’

„Vader is meerdere keren bij nonkel Roger op het bisdom langs geweest om hem te confronteren met wat ik hem had verteld. De bisschop probeerde dat te minimaliseren. En mijn vader wist niet hoe hij ermee om moest gaan. En dus gebeurde er niets. Het liefst van al moest er gezwegen worden over het onderwerp.

„Het boek heet Brief aan de paus. Ik zie het als het respecteren van de volgorde. Eerst heb ik bij mijn vader geprotesteerd. Ik heb geprobeerd het probleem aan hem uit te leggen. Hij begreep het wel, maar hij had de kracht niet om er iets aan te doen. Dan ben ik bij de bisschop zelf geweest, die het weglachte en minimaliseerde. Daarna bij kardinaal Danneels, maar die had ook geen zin om er iets aan te doen. Altijd een stap hoger. Maar nergens heb ik echt gehoor gevonden. Integendeel, ze gaven me het gevoel dat ik het probleem was. Nu blijft alleen nog de paus over. Of het moest God zelf zijn natuurlijk.

„De paus heeft het boek met Pasen toegezonden gekregen. Ik denk wel dat hij het zal lezen, ja. Of ik hoop dat hij zal reageren? Ik hoop niets meer, van deze Kerk moet ik niet te veel verwachten of hopen. Op de weg die ik ben gegaan, is het altijd veel woorden maar weinig daden geweest van de Kerk. Ik denk niet dat hij iets zal doen, nee. Hij mag me altijd komen opzoeken. Hij is welkom.”

Die avond tijdens het feestje ter ere van mijn heilig vormsel lokte nonkel me opnieuw, deze keer met een cadeautje. Het was een horloge, geloof ik, zo kon ik weten hoe laat het was. Hij nam me mee naar zijn kamer en gebruikte me voor zijn eigen deugden, nadien veegde hij de smurrie die uit hem kwam van mijn onderbuik met zijn pas gestreken zakdoek. En dat terwijl iedereen beneden vierde en zong: ‘Want God is goed en zijn gena duurt blijvend voort in eeuwigheid’. Het leek er wel op dat er niets gebeurd was want nonkel schudde toen hij beneden kwam een mopje uit de mouw en iedereen daar aanwezig schaterde het uit alsof het leven een klucht was. Ik hoorde het vanuit mijn kamer en zat daar alleen, vies en vuil.

„Ik heb lang op dit boek gebroed. Ik was rond de dertig toen ik voor het eerst iets op papier heb gekregen. Het was toen ik nog werkte als vrachtwagenchauffeur. Tijdens een helse nacht begon ik achter het stuur te flippen. Het was alsof ik een flashback had. Ik ben gestopt, toen heb ik alles gekrabbeld op een bestelformulier wat in mij opkwam. Ik was van de wereld aan het vallen. Ik probeerde het met woorden te vatten. Om die onrust kwijt te raken, dat vluchten. Ik heb miljoenen kilometers gereden met de vrachtwagen om toch maar niet de werkelijkheid onder ogen te moeten zien. Tot mijn rug helemaal kapot was.

„De keiharde feiten heb ik toen neergeschreven in honderden pagina’s. Het misbruik. Om het later te kunnen herlezen. Maar van die zaken heb ik praktisch niets gebruikt in mijn boek, de herinneringen wel, maar niet de harde feiten. Die harde feiten zijn te grof. Weet u: het misbruik heeft honderden keren plaatsgevonden. Bij elk familiebezoek. Bijna vijftien jaar lang. Het werd een gewoonte. Of ik de enige was? Nonkel Roger zei: ‘Gij zijt de enige, de engel’.

„Ik weet niet of ik dat geloven moet, ik weet eigenlijk wel zeker van niet, maar ik moet zwijgen daarover, want ik kan niets bewijzen. En ik mag niet in de naam van anderen spreken.”

Hij had me in een versmachtende wurggreep, zodat ik haast stikte. Hij nam bezit van mijn lichaam en geest. Ik kreeg geen adem meer en stikte, traag maar zeker onder het stinkend, behaard en vettig lichaam. Ik onderging het gewoon en sloot me af van de buitenwereld. Ik deed gewoon alsof ik er niet bij was. Na zijn egoïstische daad was het net of er zich in mij een explosie voordeed en mijn zelfbeeld uiteenviel in duizenden kleine stukjes als een puzzel die uit elkaar gehaald wordt. Die deeltjes probeer ik nu terug te vinden en terug op hun plaats te krijgen.
Had ik de koningin niet leren kennen toen ik 18 was, dan was ik hier allang niet meer. Daar ben ik zeker van. De drang om mezelf kapot te maken, was er. Drank en drugs. Vernietigend. Ik maak nu beelden uit hout met een kettingzaag. Maar ergens is dat ook kapotmaken. Ik ben ook nu nog autodestructief. Dat is niet positief.

„Het boek is iets dat ik moet doen. Voor mezelf. Zoals je moet eten. Dat is mijn weg. Maar ik wil die weg met dat boek ook wel afsluiten. Het moet een einde zijn aan iets dat niet eindig is. Ik weet niet of het een einde zal zijn, want jezelf kan je natuurlijk nooit ontlopen. Ik had zeven jaar geleden, toen de bisschop eindelijk van zijn troon lag, gehoopt dat het gedaan zou zijn. Dat ik rust zou krijgen. Maar dat is niet gelukt. Het zal nu ook niet lukken. Het verschil is dat ik me daar nu van bewust ben, toen niet.

„Zonder de bisschop was ik allicht content geweest met wat het leven gaf. Dan was ik deel van de maatschappij geweest. Nu sta ik voor een groot deel buiten de maatschappij. Ik leef heel anders dan iedereen rondom mij. Ergens is dat natuurlijk ook mijn sterkte. Ik heb niets materieels nodig om gelukkig te zijn.”

Eindelijk een bewijs dat ik niet overdreef, fantaseerde of de aandacht wou trekken, ik had de biecht van nonkel opgenomen, in het geheim, met een apparaatje. De waarheid was vastgelegd. Liegen en ontkennen, mij gek laten verklaren, mij een fantast noemen, dat was vanaf nu niet meer mogelijk. De Heilige Graal, de sleutel van de waarheid, was in mijn handen. De bisschop kon het niet meer minimaliseren, bagatelliseren en ontkennen. Het had geen nut meer. Niets had nog nut.

„Ik had gevraagd aan de bisschop om zijn baas te kunnen spreken. Met die baas bedoelde ik aartsbisschop Léonard. Hij had het in zijn homilie met Pasen over misbruik in de Kerk gehad en wat voor kanker dat was. Ik hoopte dat die man naar mij zou luisteren en doen wat juist was: de bisschop doen aftreden.

„Maar toen wij op 8 april 2010 aan de abdij van Steenbrugge aankwamen voor die ontmoeting, was het niet Léonard die daar zat naast ‘nonkel Roger’ maar kardinaal Danneels. Nonkel voelde blijkbaar nattigheid en hij had zijn vriend Danneels opgetrommeld. Hij heeft Danneels gebruikt. En die is erin gelopen met het idee dat hij dat probleem wel even snel zou oplossen.

„Het was niet dat ik met voorbedachten rade het gesprek had opgenomen om er achteraf iets mee te doen. Maar toen ik naar Danneels ging, wist ik op de een of andere manier dat ik het moest opnemen. Om het achteraf aan de koningin te laten horen en het zelf ook nog te beluisteren. Om te horen wat er exact was gezegd.

„Ik ken kardinaal Danneels niet persoonlijk maar ik vind dat hij als kardinaal heeft gefaald. Hij is zwaar in mijn achting gedaald. Hij zei toen tegen me dat hij niet meer in functie was en niets kon doen. Ik vond dat een flauw excuus, want hij loopt toch graag met zijn functie te koop. Hij heeft me proberen weg te stampen door me te behandelen als een klein, nietig ventje.

„Pas nadien, na het beluisteren van die tapes, viel mijn frank dat dat eigenlijk allemaal zeer bezwarend was en moreel onverantwoord. Zonder de tapes was ik de pineut van het verhaal geweest. Ze zouden van mij een fantast gemaakt hebben die de bisschop zwart wilde maken. Niemand zou me geloofd hebben. Daar zouden ze wel voor gezorgd hebben. Daar ben ik van overtuigd.”

Beste paus, als jij mijn biechtvader was, zou ik je het volgende vragen: ‘Heb ik gezondigd omdat ik ooit moest zweren om het geheim te houden en beloofd hem nooit te verraden en ik het, net als Judas, wel heb gedaan?’ Ik moest het zweren op God terwijl ik onbedekt en naakt voor hem stond in de kapel voor het beeld van de gekruisigde Christus. Ontkleed en onschuldig, klein en onbeschermd.

„Ik heb God veel aangeroepen om me te helpen. Maar zonder resultaat. Hij luisterde blijkbaar niet. Toch weet ik nog altijd niet zeker of hij bestaat of niet. Want wat in de Bijbel staat, is juist: ‘Bemin uw naaste als uzelf’. Mocht iedereen dat doen, dan is alles opgelost. ‘Verander de wereld, begin bij uzelf.’ Daarom twijfel ik zo. Die woorden zijn zo mooi.

„Ik weet dat het ongelooflijk is dat het zo lang heeft kunnen duren. Dat zijn geheim een geheim heeft kunnen blijven. Maar het was allemaal zo verstikkend en overheersend. Zelfs mijn vrouw, de koningin, die uit een ander milieu kwam en wist wat er gebeurd was, heeft zich toen we al samen waren een tijdlang niet kunnen verzetten tegen de druk. Ook zij had de kracht er niet voor.

„Ik heb haar binnen gesleurd in die verwrongen familie. Zij is ook slachtoffer geworden van de bisschop. De bisschop heeft zelfs ons huwelijk voltrokken, onder druk waaraan niet te ontkomen was. De opvolgers zijn door zijn onreine handen gedoopt. Terwijl heel de familie wist wat hij op zijn kerfstok had. Onvoorstelbaar dat een mens niet in staat is daar onderuit te komen.

„U kan zich die macht niet voorstellen. Terwijl heel de familie, mijn bruid en ik wisten wat hij met mij gedaan had. De bisschop wilde altijd tonen dat hij de baas was. En het lukte hem altijd weer.

„Zoals die keer in dat interview op tv. Ik was helemaal van de kaart toen hij dat interview gaf. Een relatietje zei hij. Dat is toch ongelooflijk.

„De impact van dat interview was enorm. Mijn jongste zoon heeft maanden niet meer met de fiets naar school gedurfd. We hadden hem gezegd dat de bisschop in het verborgene zat en dat we voor eeuwig van hem verlost waren. En plots kwam hij op tv. Die jongen dacht dat hij plots van achter een struik zou komen om hem te pakken. Dat legde een hele grote druk op de familie.

„Het liefst zou ik hebben dat hij gewoon zwijgt. Wat valt er nog te zeggen? En zijn macht over mij is hij toch kwijt. En voor de rest, laat hem maar in die club blijven. Ze moeten hem er niet uit gooien. Want dan is het loslopend wild. Wat gaat er dan allemaal nog gebeuren? Dat hij maar gewoon zwijgt zoals ik lang gezwegen heb. Dat is genoeg voor mij. Hopelijk kan hij ooit rust vinden in vrede.”

Brief aan de paus van Mark Vangheluwe is verschenen bij De Bezige Bij. Dit artikel is een licht bewerkte versie van een interview dat vandaag in De Standaard staat.