Lof der rusteloosheid

Ze rommelt in haar tas en haalt er een verfomfaaid velletje papier uit. Het staat vol met plotjes en grafiekjes. „This is very interesting”, zegt ze. En ze gaapt. Mijn collega-hersenonderzoeker uit Londen is voor een dagje overgevlogen om haar resultaten te bespreken, maar ze is duidelijk doodop. Ze was het nog bijna vergeten ook, haar bezoek aan ons. Toen ik haar de avond tevoren een appje stuurde om te vragen hoe laat ze zou landen, schoot ze als een speer uit haar stoel en boekte alsnog snel een ticket. Terwijl de plaatjes met hersenen over tafel gaan en ze, haar hoofd ondersteunend met haar vrije hand, vermoeid uitlegt waar ze tegenaan loopt in haar onderzoek, denk ik: wat drijft jou nou? Het is duidelijk dat je te hard werkt; toch ga je maar door.

Mijn collega is niet de enige die geen rust heeft. De meeste wetenschappers werken zich een slag in de rondte. Ze rennen van milestone naar milestone, van grant naar grant. Het CV vereist binnengehaalde beurzen, liefst van het soort dat bijna niet te krijgen is. Voor veel wetenschappers is er geen baanzekerheid: ze jobhoppen van project naar project. Als het geld op is, is er geen baan meer. Ondertussen moeten ze zo veel en zo goed mogelijk publiceren en ook impact hebben. Er moet onderwijs gegeven worden. En ook dat moet superexcellent zijn. En ze moeten internationaal op de kaart staan.

Dus, hup, dat vliegtuig in met je goed fatsoen en je grafieken; er is werk aan de winkel. Het resultaat is een soort permanente rusteloosheid. Het gevoel dat je steeds maar weer de trein moet halen. Rennen, anders gaat hij rijden zonder je. Ik herken dat gevoel van onrust zelf maar al te goed. Elk uur moet goed besteed zijn.

We verwachten schapen met vijf poten en die maakt de natuur nou eenmaal niet

Laatst vertrok ik naar Milaan voor een meerdaagse wetenschappelijke conferentie. Eenmaal gearriveerd, zittend in een of ander congreszaaltje, verliep de discussie me veel te traag. Dat irriteerde me zo mateloos dat ik mijn boeltje bij elkaar pakte en diezelfde dag nog het vliegtuig naar huis nam. Ik kon mijn tijd wel beter besteden. Toch vraag je je af: is zulk gedrag nou gezond? Steven ik niet per ongeluk af op een burn-out, en mijn hele generatie met mij?

Gelukkig ontving ik twee weken geleden een uitnodiging van De Jonge Akademie om als panellid te komen praten over de ‘werk-privé balans’. Wie weet, dacht ik, gaan we samen die drukke rusteloosheid wat beter begrijpen. Te gast was Tony Crabbe, auteur van de internationale bestseller Nooit meer te druk. „Wie werkt er in het weekend en tijdens vakanties?” was een van de eerste vragen aan het publiek. Bijna alle handen schoten de lucht in. „En wie wil dat?” Heel weinig handen.

Er ontspon zich een discussie over wat er mis is met ‘het systeem’. Er is best heel veel mis met het systeem natuurlijk. We verwachten schapen met vijf poten en die maakt de natuur nou eenmaal niet. Crabbe lichtte intussen begeesterd zijn boek toe, vol „heldere strategieën voor een opgeruimd hoofd en leven”. Er is ook een werkboek, voor wie het wil weten.

Hoe dan ook, al naar gelang de discussie zich verder ontspon begon ik te twijfelen. Wat we bespraken is het type rusteloosheid ontstaan door van buiten opgelegde druk. Voor zover deze onredelijk is (en dat is hij vaak) moet die druk natuurlijk overboord. We doen elkaar dit aan, we kunnen het ook weer rechtzetten. Revolution from within! Discussies zoals die bij De Jonge Akademie helpen dit te snappen.

Maar: rusteloosheid ontstaat niet alleen door externe druk. Het is ook iets wat in je zit. Steeds meer willen leren, willen snappen. Constant je neus achterna. Ik vlieg niet eerder terug van die conferentie omdat dat van iemand moet. Nee, ik leer niet genoeg en word dan ongeduldig. Dat is toch niet negatief?

Filosoof-medicus Ignaas Devisch schrijft over deze ‘interne’ rusteloosheid in zijn boek Rusteloosheid, pleidooi voor een mateloos leven (2016) het volgende: „Passie, creativiteit en verlangen bestaan bij gratie van ongedurigheid”. Kijk, dat zocht ik! Dat is de ongedurigheid die ik en velen met mij voelen, ook (of misschien juist) wanneer de baas niet kijkt. Het is rusteloosheid als drijvende kracht. Iets goeds. Het brengt je in de zoekstand, waar heel veel energie zit. Interessant genoeg beschrijft Devisch ook hoe de zorg over rusteloosheid helemaal niet uniek is voor onze tijd. Mensen hebben nooit stil kunnen zitten en hebben zich daar altijd zorgen over gemaakt.

Te midden van alle paniekanalyses en zelfhulpboeken over drukte en rusteloosheid stelde het boek van Devisch me gerust. Als ze van binnenuit komt, is een zekere onrust juist prima. Het stuwt voort, maakt creatief, geeft vrijheid. Het is prettige drukte. Laat mij maar lekker met gierende banden saaie conferenties ontvluchten. Op zoek naar een betere besteding van mijn dag.