Recensie

Kon je maar leven zoals je helden dat doen

De mens die zaait en de oogst die uitblijft, die triest stemmende gedachte rijst op uit de nieuwe roman van Kees van Beijnum. Mensen steken ergens energie, tijd of liefde in, maar een beloning blijft uit. Neem Beatrijs: haar hart zit op de spreekwoordelijk juiste plek, maar haar man liep bij haar weg, haar zoon Arno is een spijbelaar die tegen de criminaliteit aanschurkt en de mensen die ze als buurtwerkster wil helpen, kunnen haar bloed wel drinken.

Of neem Christian, een voormalig briljante student en leraar die nu, een illusie armer na een avontuur in Groningen met een alcoholistische vrouw, terneergeslagen verblijft in het huis van zijn rijke vader. Het is al met al een wat kneuzerig aandoend ongeluk, dat als een soort bijvangst van de welvaart op mij overkwam.

Zo’n Arno bijvoorbeeld is amper zestien, maar hij zit nu al op de reling van een brug te mijmeren over wat hij zijn ‘sluipschutter’ noemt, waarmee hij op de apathie doelt. Welk een ledigheid.

Het ongeluk mag dan kneuzerig zijn, Van Beijnum (1954) weet je er wel mee te raken. Net als met De offers (2014), waarover ik destijds schreef dat het vol zat met ‘personages om in je hart te sluiten’. Van Beijnum is er erg goed in om mededogen af te dwingen. Hij roept iets bij je op dat mij sterk deed denken aan een film als Magnolia, waarin ook personages rondlopen die juist doordát ze zich zo lang groot houden, alleen maar harder breken.

Wie goed leest, zal in Het mooie seizoen een veel geëngageerder werk herkennen dan je wellicht van Van Beijnum verwacht: het zijn weliswaar individuele mensen die verantwoordelijk zijn voor elkaars ongeluk, maar als je al die individuen op een rij zet of hun taal tot je door laat dringen, moet je constateren dat ze de hysterie en de onderscheidingsdrift met elkaar gemeen hebben. En die Arno, die lijkt alleen maar een leven te willen hebben als het lijkt op dat van zijn helden ‘Steve’ (Jobs, neem ik aan), ‘Bill’ (Gates?) of ‘Jerry’ (Jerry?). Het moet toch Christian zijn, die nu even ‘niks’ meer doet, bij wie Van Beijnums sympathie ligt.

Het geeft Het mooie seizoen een scherper randje dan het historische De offers, maar helaas is het dit keer niet allemaal zo strak ingesnoerd. Met allerlei informatie over vechtscheidingen en hypotheken is het boek uiteindelijk te administratief van aard (en daardoor te dik) en Van Beijnums keuze om de straattaal (‘jonko’, ‘wierie’) te importeren komt wat geforceerd over. Maar iemand die méér durft te vertellen dan een geïsoleerd drama verdient een compliment.