Column

De waarheid in een kleinood

Deze week verbeterde mijn humeur zich aanzienlijk, dankzij een klein boekje van Ryszard Kapuscinski met daarin een grootse analyse.

Een heuglijk bericht van het (ont)leesfront: de boekenverkoop is in Nederland in week 14 met 5,2 procent gestegen ten opzichte van diezelfde week in 2016. Ik las het in Boekblad, het optimistische vaktijdschrift voor het pessimistische boekenvak. Het maakte me vrolijk, al vroeg ik me af of dat goede nieuws aan week 14 lag, die van 3 tot en met 9 april duurt. In de kranten van die dagen las ik tenslotte niets anders dan ellende: Britse oorlogsretoriek over Gibraltar, spanningen tussen China en de VS, terreuraanslag in Zweden. Week 14 bood dus niet echt een goede aanleiding om eens lekker met een boek in een hoekje weg te kruipen.

Het optimisme van Boekblad is dan ook betrekkelijk, zoals uit de rest van het bericht blijkt. Vooral als het om het Nederlandstalige boek gaat, want van die 5,2 procent heeft 0,4 procent betrekking op boeken in andere talen. En cumulatief (week 1 t/m week 14) blijft er van het heuglijk nieuws nog minder over als je die totale groei vergelijkt met 2016, waarin in dezelfde periode slechts sprake is van een stijging van 0,4 procent, met name dankzij de verkoop van buitenlandse titels. Het Nederlandstalige boek zit zelfs lichtelijk in het slop, want cumulatief is er sprake van een daling van 1,1 procent vergeleken met 2016. Het enige echte goede nieuws uit boekenland is dan ook niet die omzetstijging, maar het feit dat de Amsterdamse kunstboekhandel Premsela zijn deuren toch niet hoeft te sluiten en een doorstart maakt.

Dat laatste maakt me alsnog optimistisch, zeker als ik mezelf als maatstaf neem. Zo heb ik afgelopen dagen drie voortreffelijke boeken in het Nederlands gelezen: het privé-domeindeel Dagboek van een vreemdeling in Parijs van Curzio Malaparte, de ontroerende roman De thuiswacht van Dola de Jong en het overweldigende Zulajka opent haar ogen van de jonge Russische schrijfster Guzel Jachina. Maar er belandde ook een kleinood op mijn bureau: De dood van de ambassadeur van de Poolse journalist Ryszard Kapuscinski (1932-2007), een van de grondleggers van de literaire non-fictie. Het is een boekje op zakformaat, dat je altijd bij je zou moeten dragen om te kunnen beseffen wat goede fictie of non-fictie zo belangrijk maakt. Bijvoorbeeld dat je al van zo’n kleinood een goed humeur krijgt en dat het je de toestand van de wereld beter doet begrijpen.

Kapuscinski’s relaas gaat over het functioneren van de door de VS jarenlang gesteunde dictatuur in Guatemala, waarin de ene tiran de andere opvolgt. Aanleiding om erover te schrijven was de ontvoering van de Duitse ambassadeur in dat land, maar die diplomaat speelt een bijrol. De werkelijke kracht van het verhaal schuilt in de alomvattende en grootse analyse van het wezen van een dictatuur. Nu die staatsvorm weer een door velen geliefd systeem lijkt te worden, loont het de moeite om je er alvast wat in te verdiepen.

De mooiste beschrijving in De dood van een ambassadeur is die van de stilte, die in een dictatuur overal bestaat. Hoe meer stilte, hoe meer repressie. Een trefzekere metafoor.

Kortom, lezen dat boekje. In een uur heb je het uit. Daarna ben je een hoop wijzer geworden en kun je niet anders dan erkennen dat een nieuwe wereld voor je is opengegaan: die van het kleine boek op zakformaat. De 5,2 procent omzetstijging van week 14 zal er alleen maar door verbleken.