De meester/juf heeft het te druk om les te geven

Leraren

De werkdruk in het basisonderwijs is hoog. Een op de vijf leraren kampt met burn-outklachten. Hoe komt dat? Drie ervaringsdeskundigen over oorzaken en oplossingen.

Illustratie iStock/NRC

De basisschoolleraren zijn boos. Ze eisen meer salaris en minder werkdruk. Als er geen extra geld komt, gaan alle scholen een week dicht, dreigden ze afgelopen dinsdag. PO in Actie, een initiatief dat wordt gesteund door ruim 36.000 juffen en meesters, bood die dag een manifest aan bij de Tweede Kamer.

De leerkrachten hebben de statistiek aan hun zijde. Nergens komen zoveel burn-outklachten voor als in het onderwijs. Uit de jaarlijkse Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden van onderzoeksinstituut TNO en het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt dat het percentage docenten met burn-outklachten in de periode 2011-2015 schommelde tussen de 18 en 21 procent. Dat komt neer op een op de vijf. Neem je het gemiddelde van alle beroepen, dan kom je uit op ongeveer een op de acht werkenden.

Vrijwel iedereen werkt over en werkt thuis. Het slaat nergens op, maar het is wel zo

Een op de acht leraren overweegt ander werk te gaan doen, concludeerde de Algemene Onderwijsbond (AOb) begin dit jaar uit een enquête onder 1.629 leden. Vanwege de hoge werkdruk en het relatief lage salaris – een onderwijzer in het basisonderwijs heeft een startsalaris van 2.346 euro bruto per maand, 30 procent minder dan de gemiddelde hoogopgeleide verdient.

Annemieke Messelink, psycholoog en lerarencoach, ziet het in haar praktijk: „Docenten gaan met minder plezier naar het werk, vooral jonge juffen en meesters stappen relatief snel uit het vak.” Maar hoewel ze voornamelijk vastgelopen leerkrachten begeleidt, ziet Messelink ook genoeg onderwijzers die niet omvallen. „Zij passen bijvoorbeeld slimme trucs toe en hebben soms originele ideeën over de lespraktijk. Andere docenten zouden daarvan kunnen profiteren.”

Wat veroorzaakt de hoge werkdruk op basisscholen? En wat kunnen leraren doen om die werkdruk tegen te gaan?

  1. Structureel tijdgebrek

    Wouter Siebers (30) koos veertien jaar geleden net als zijn moeder voor het onderwijs omdat hij leerlingen verder wilde brengen in hun ontwikkeling. Maar na de pabo bleek dat hij niet alleen met leerlingen te maken had. „Er zijn verwachtingen vanuit de directie, het schoolbestuur, de samenleving en het ministerie. Dit kun je eigenlijk niet goed inschatten als je aan de pabo begint.”

    Siebers geeft les aan groep acht van de Caeciliaschool in Amersfoort. In 2016 werd hij verkozen tot Leraar van het Jaar. Als zodanig dacht hij mee over de problemen in het vak, zoals de overvolle werkweek. „Laat dat heel helder zijn”, zegt hij. „Vrijwel iedereen werkt over en werkt thuis. Het slaat nergens op, maar het is wel zo.”

    Uit een onderzoek onder leden van de AOb bleek begin dit jaar dat juffen en meesters gemiddeld 6,9 uur per week overwerken. Ze werken vaak door in vakanties en nemen nauwelijks pauze – die tijd wordt regelmatig gebruikt voor vergaderingen met collega’s of overleg met ouders en leerlingen.

    Oplossing: Siebers’ boodschap voor collega’s: stop met wijzen naar wat er allemaal moet. „Durf te kiezen, durf ook een keer ‘nee’ te zeggen. Maar neem wel de moeite om toe te lichten waarom.” Zelf koos hij er bijvoorbeeld voor om in de eerste weken van het schooljaar minder aandacht te besteden aan taal en rekenen, en in plaats daarvan te werken aan de groepsdynamiek in zijn klas door hen in spelletjes te laten samenwerken. „Dat kost even tijd, maar het betaalt zich later terug. Er heerst nu een rustiger werksfeer.”

    Tijd winnen kan ook door het afschaffen van ellenlange besprekingen. Paula Hoonhout, directeur van de Amsterdamse basisscholen Wereldwijs en Bijlmerdrie, verving drie jaar geleden alle vergaderingen door ‘bordsessies’ van 15 minuten per week. „Tijdens die sessies stellen leraren in kleine teams doelen en bedenken hoe ze die kunnen behalen. Een soort scrummen voor het onderwijs.” Volgens Hoonhout zorgt deze aanpak – opgesteld door adviesbureau McKinsey op basis van internationaal onderzoek – voor minder mentale druk. „Het geeft leerkrachten het gevoel dat ze er niet alleen voor staan en bezig zijn met zaken die er echt toe doen.”

  2. Bergen administratie

    Leerlingvolgsystemen, handelingsplannen maken, het bijhouden van digitale evaluatie- of verantwoordingsdossiers – vraag je leerkrachten in het basisonderwijs waar de werkdruk vandaan komt, dan blijkt de verplichting van alles vast te leggen een grote last. Dat concludeerde onderzoeksbureau DUO Onderwijsonderzoek dit jaar bijvoorbeeld in een representatief rapport dat het in samenwerking met tv-programma De Monitor opstelde. In de enquête werden met name het toenemende aantal administratieve taken en verschillende onderwijsvernieuwingen als oorzaak voor de hoge werkdruk genoemd.

    Oplossing: Zoek uit waarom je iets doet. Uit de burn-outwetenschap is bekend: chronische vermoeidheid in het werk ontstaat door een combinatie van uitputting en cynisme. Overwerken kost al een hoop energie, maar de druppel kan cynisme zijn: taken doen waarvan je zelf het nut niet ziet. Volgens psycholoog en lerarencoach Messelink is het daarom verstandig om werkzaamheden die je demotiveren, te bespreken met leidinggevenden of in een team van collega’s. „Waar het om gaat is dat je de frustratie omdraait: Wat is het doel van deze administratie, en bereik ik dat doel ermee?”

    Messelink begrijpt dat sommige regels simpelweg opgevolgd dienen te worden, maar wijst er tegelijkertijd op dat de Onderwijsinspectie regelmatig benadrukt dat rapportages veel minder uitgebreid kunnen dan vaak wordt verondersteld. Messelink: „Het helpt daarom met elkaar te overleggen: Wat noteren we wel en wat niet? Wat is echt nodig? En: als dit het doel van de rapportage is, kunnen we dat dan op een andere, of minder tijdrovende manier vastleggen?’”

  3. Grote klassen

    Scholen mogen zelf bepalen hoe groot hun klassen zijn. In 2016 telde een gemiddelde klas 23,4 kinderen. Dat aantal is de afgelopen jaren „stabiel” gebleven, schreef demissionair staatssecretaris Sander Dekker (VVD) in december aan de Tweede Kamer. Maar volgens de Algemene Onderwijsbond is daar van alles op af te dingen. Kleine scholen krimpen en wanneer het gemiddelde hetzelfde blijft, zijn er aan de andere kant dus grotere klassen bijgekomen. Vakbond Leraren in Actie (LIA) bood de Tweede Kamer deze maand een petitie met 45.000 handtekeningen aan tegen de ‘plofklas’: klassen met dertig leerlingen of meer.

    Dat soort aantallen zijn geen uitzondering, zegt Wouter Siebers. En zes of zeven leerlingen extra lesgeven, dat maakt nogal uit, vindt hij. „Stel dat je een klas hebt met dertig leerlingen. Dan wil dat zeggen dat je dertig toetsen moet nakijken en dertig rapporten moet schrijven. Maar ook dat je dertig thuissituaties moet kennen en contact moet onderhouden met alle ouders – vaak ook nog eens dubbel omdat ze gescheiden zijn.”

    Oplossing: Een oplossing, denkt Siebers, is samenwerken met collega’s. „Leraren zouden de verantwoordelijkheid voor leerlingen meer gezamenlijk kunnen dragen. Je kunt elkaar sterker maken door van elkaar te leren en in andere klassen ideeën op te doen. Als je op dezelfde school werkt, heb je immers te maken met dezelfde leerlingen en dezelfde ouders. Je weet van elkaar waar je het over hebt.”

    Ook directeur Paula Hoonhout is daar voorstander van. „Op veel scholen zie je allemaal eilandjes, dat hebben wij niet meer. Door samen doelen te stellen en samen de lessen voor te bereiden ervaren leerkrachten meer collegialiteit: je mag het best een keer fout doen en kunt altijd bij elkaar terecht.”