Column

Woody Allens jazzhelden

In een muziekwinkeltje stuitte ik op een cd uit 2012 met nummers uit films van Woody Allen. Er zijn meer van dergelijke cd’s – deze bevatte een beperkte, maar representatieve keuze uit zijn films, van oudere als Radio Days (1987) tot jongere als Midnight in Paris (2011). Al zijn muziekhelden spelen erop, zoals Sidney Bechet, Ben Webster, Coleman Hawkins, Erroll Garner, Louis Armstrong en Lester Young.

De cd heet Swing in the films of Woody Allen. Ik heb er met veel plezier naar geluisterd, ook al is jazz niet mijn favoriete genre. Vooral het spel van Bechet (‘Si Tu Vois Ma Mère’), Lester Young & Oscar Peterson (‘I Can’t Get Started’) en Erroll Garner (‘The Way You Look Tonight’) is indrukwekkend.

Woody Allen is van jongs af aan jazzliefhebber geweest. Terwijl andere schoolkinderen in koffietentjes rondhingen, zat hij met vriendjes thuis over de platenspeler gebogen. „We bleven maar naar jazz luisteren, obsessief, noot voor noot”, vertelde hij zijn biograaf Eric Lax. Hij groeide op met de New Orleans-jazz, een genre dat hij altijd trouw zou blijven, ook toen hij zelf verdienstelijk klarinet leerde spelen.

Klassieke muziek waardeert en gebruikt hij ook, maar aan popmuziek heeft hij ronduit een hekel. „Dan zie je vier jongens met gitaren en tienduizend mensen die hun vrienden op hun schouders hijsen, de muzikanten en het publiek vertonen zich allemaal met blote borst, de jongens hebben verf op hun gezicht gesmeerd, ze slaan hun gitaar kapot en het geluid wordt waanzinnig versterkt – het betekent helemaal niks voor mij.”

Vergeleken daarmee is de jazzmuziek van Allen braafjes. Zijn smaak reikt niet veel verder – ook op jazzgebied – dan 1950. Maar van de jazz uit de jaren twintig tot vijftig kan hij moeiteloos elk nummer dromen, het is een ware schatkamer voor zijn films.

Aanvankelijk heeft hij geprobeerd om net als Ingmar Bergman, zijn grote voorbeeld, films zonder muziek te maken. Hij hield Interiors muziekloos, maar hij miste later de muziek. Zijn films ziet hij als een vorm van sterke zelfexpressie – en zijn geliefde muziek hoort daarbij.

„Ik zal altijd films maken die mijn persoonlijke gevoelens uitdrukken over de zinloosheid van het leven en de verschrikking van het bestaan.”

Sombere taal, maar misschien heeft hij juist daarom wel zoveel lichte en tegelijkertijd wrange films gemaakt. De muziek die hij er na veel getwijfel bij kiest, heeft vaak een melancholieke, weemoedige ondertoon. Muziek versterkt de film, vindt hij, ze kan soms een scène redden.

Hij houdt zoveel van zijn jazzhelden dat hij het moeilijk vindt om de beste onder hen louter als achtergrondmuziek te benutten. Hij heeft daarom weinig of niets gebruikt van zijn grootste idolen, Jelly Roll Morton, George Lewis, Sidney Bechet en Louis Armstrong.

Voor saxofonist-klarinettist Bechet (zijn bekendste compositie is ‘Petite Fleur’) heeft hij het meeste respect. „Sidney was geweldig, en toch heeft hij commercieel weinig bereikt en, behalve in Frankrijk, geen iconische status gekregen. En terwijl Louis Armstrong mocht dineren in Buckingham Palace, moest Sidney de gevangenis in omdat hij op iemand had geschoten. Ik zou er een prachtige film over kunnen maken.”

Dóén, Woody.