Commentaar

voortvluchtig Een competente overheid moet alle celstraffen uit kunnen voeren

Elfduizend voortvluchtige veroordeelden in 2015 is, hoe je het ook keert of wendt, veel te veel. En het vooruitzicht dat volgend jaar 1690 van hen definitief de dans zullen ontspringen, vanwege verjaring van hun vrijheidsstraf, is feitelijk onacceptabel. In het bijzonder voor hun slachtoffers die op genoegdoening hebben gerekend.

Na aangifte, opsporingsonderzoek, vervolging, rechtsgang en veroordeling is het maatschappelijk rendement dan namelijk nul. Geen preventie, geen vergelding, doch slechts een lange neus van de veroordeelde. Die als enig ongemak het uit handen blijven van de politie heeft moeten ondergaan. Nou en.

Wat zoiets doet met de geloofwaardigheid van het opsporingsapparaat laat zich raden. Een honderd procent score bij de strafexecutie zou voor Justitie een erezaak moeten zijn. Vorig jaar rapporteerde het kabinet aan de Kamer dat in 2016 in 92% van de vrijheidsstraffen de uitvoering ‘gaande’ was of binnen 24 maanden afgerond. Met 8 % blijft het dus tobben.

Het contrast met de digitale rechtshandhaving elders tussen overheid en burger, is bijkans onverdraaglijk. Wie iets te hard rijdt, niet de juiste informatie levert, of zich vergist in een termijn, is vrijwel verzekerd van een sanctie inclusief verhoging en incasso. Maar aan de gevangenis kan kennelijk worden ontsnapt.

Het besef dat dit moet ophouden bestaat in de politiek overigens al geruime tijd. Al in het regeerakkoord van het demissionaire kabinet werden maatregelen aangekondigd. Vrijheidsstraffen moesten bijvoorbeeld dadelijk worden uitgevoerd, ongeacht de vraag of die straf onherroepelijk is – en dus of er hoger beroep is aangetekend. Dat wetsvoorstel is vastgelopen, onder meer op het bezwaar dat hoger beroep dan alleen nog theoretische waarde heeft. En er van de onschuldpresumptie niet veel overblijft. Meer praktische maatregelen zijn er echter al wel getroffen. Er kunnen (en er worden) paspoorten geweigerd of vervallen verklaard, van veroordeelden die nog op vrije voeten zijn. De informatie-uitwisseling binnen het apparaat is verbeterd – nogal wat gezochten worden inmiddels bij routine-verkeerscontroles ook echt gevonden. Er loopt een experiment waarbij gezochten die contact met een gemeenteloket hebben automatisch worden gesignaleerd. Er is een speciaal politieteam dat op de zware gevallen jaagt, gedefinieerd als ‘meer dan 300 detentiedagen’. Daaronder blijft het initiatief bij de reguliere politie en recherche. De enige troost in dit tranendal is dat de criminaliteit sterk afneemt. Maar dat is natuurlijk niet genoeg. Het cliché ‘ga toch boeven vangen’, is hier op zijn plaats.