Column

Verliefd bleh

Oké, zonder voortplanting waren we er niet geweest. De meest voorkomende oorzaken van voortplanting zijn hitsigheid, gewoonte en verveling. Ik snap het nut van dit genitaal carnaval ook al is het soms een gênante en tijdverslindende bezigheid.

Maar nu ben ik opeens, voor het eerst in jaren, verliefd. Concentreren lukt nauwelijks, ik kan alleen maar voor me uit staren met een glimlach zo breed alsof ik met een kleerhanger in mijn mond heb geslapen. Gisteren was ik als tegengif begonnen met het herlezen van Een klein leven van Hanya Yanagihara, een roman zo deprimerend dat je op een zeker moment maar met de scherpe rand van het papier in jezelf gaat snijden ter opvrolijking. Halverwege legde ik het boek weg, want ik voelde een aandrang om koekjes te gaan bakken en huppelde naar de keuken. Ik kan het nut van deze toestand echt niet inzien. Is verliefdheid een soort smeermiddel voor horizontaal schuifelwerk, een duw in de rug voor degenen die het libido van een panda hebben? Waarom moet ik dan, gezegend met de seksuele eetlust van Djengis Khan, er ook onder lijden?

Natuurlijk zijn er talloze theorieën over de voordelen van verliefdheid: het vormt een basis voor een langdurige relatie zodat je de bijproducten van geslachtsgemeenschap gezellig samen kunt opvoeden, het verrijkt je en is een probaat middel tegen eenzaamheid. Maar waarom zijn er zoveel nare bijwerkingen? Die misselijkheid, dat nauwelijks kunnen slapen en vooral het talent jezelf telkens enorm voor lul te zetten?

Ik stelde mijn geliefde onlangs voor aan een club collegae. In plaats van zijn naam te noemen duwde ik hem naar voren en schreeuwde: „Kijk ik ben verliefd op hem!” Gelukkig was ook hij verliefd, anders viel de boel niet meer te redden.

„Het is goed voor de voortplanting”, zei een kennis vervolgens. Maar hoe dan? Ik ben de afgelopen tijd zo dement van verlangen dat ik al drie keer bijna ben aangereden. Dat helpt echt niet in het voortbrengen van een nieuwe generatie: in mijn huidige toestand zijn zygoten in mijn baarmoeder even veilig als iemand die in een regenton de Niagarawatervallen af surft.

Laatst gingen mijn geliefde en ik uit eten. De amuse was een soort schuim met geschaafde zwam. Na een halve hap keken we elkaar aan. We zaten propvol. Met iedere speekselklier die in ons zat, konden we nog net de volgende gang naar binnen krijgen (een stukje vis op toast) en vroegen toen maar om de rekening.

„Het scheelt tenminste geld”, zei mijn geliefde, en lachte vervolgens zo schattig dat ik naar de wc rende om over te geven, misselijk van geluk.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.