Column

Op ’t plechtje

Ewoud Sanders

Deze donderdag wordt in Amsterdam de biografie van Marie (‘Rie’) Joseph Brusse gepresenteerd. Rie (1873-1941) was de vader van onder anderen Kees en Jan Brusse, bekend als respectievelijk acteur en journalist. Maar ook van Peter Brusse, eveneens journalist en schrijver van de biografie.

In zijn tijd was Rie Brusse een beroemdheid. Sommige mensen zullen hem kennen als de auteur van Boefje, een prachtig en zeer succesvol boek (verfilmd en eveneens als toneelstuk opgevoerd) over een Rotterdams straatschoffie. Maar aan het begin van de 20ste eeuw stond Brusse vooral bekend als een vernieuwer in de journalistiek. In 1898 verkleedde hij zich als arme zeeman om van binnenuit te kunnen beschrijven hoe werkzoekende zeelieden in Rotterdam werden uitgebuit; in 1906 trok hij wekenlang als landloper door Noord-Holland. In interviews gebruikte hij als een van de eersten de dialoogvorm. Hij schreef in een zwierige literaire stijl die nu uit de mode is geraakt, maar die indertijd werd geprezen. Willem Kloos stelde dat Boefje was geschreven „met een hart van goud en met een pen als diamant vol schittering”.

Zelf heb ik veel van Brusse gelezen omdat hij mensen aan de onderkant van de samenleving, voor wie hij een groot zwak had, vaak sprekend opvoert en dan letterlijk citeert. Dat maakt zijn boeken tot interessante bronnen voor platte volkstaal. Zo gebruikte hij in Boefje, waarvan de eerste druk verscheen in 1903, woorden als adje, hoed, klabbak en smeris voor ‘agent’, je tweede gezicht voor ‘achterwerk’ en de uitdrukking dun door je broek lopen. Plus ruim 150 andere platte woorden en uitdrukkingen. In Landlooperij, een indrukkend boek uit 1906, vond ik ruim 1.700 platte woorden en uitdrukkingen – een ongekend hoog aantal voor literaire bronnen uit die periode.

Niet iedereen vond de taalkundige observaties van Brusse even betrouwbaar. De taalkundigen Jac. van Ginneken en H.J.E. Endepols stelden in 1917 dat Boefje een uitstekende bron was voor het plat-Rotterdams, maar de historicus L.J. Rogier herkende er in 1937 vooral veel Amsterdams in. Brusse groeide op in Amsterdam en ik denk dat hij zijn kennis van het Rotterdams en Amsterdams in Boefje combineerde. Ik vind zijn taalkundige observaties over het algemeen uiterst betrouwbaar – hij moet een zeer goed oor en een uitstekend geheugen hebben gehad.

De acteur Cor van der Lugt Melsert, die ooit door Brusse werd geïnterviewd, zei daarover: „Brusse schrijft niets op en later bemerk je dat hij alles wat je gezegd hebt, heeft onthouden.” Bij andere interviews maakte Brusse wel degelijk aantekeningen, die hij snel uitwerkte. Op verzoek van zijn uitgever publiceerde Brusse in 1929 een geestig interview met zichzelf („M.J. Brusse interviewt M.J. Brusse”). Hij vertelt daarin dat hij zijn reportages vaak buiten schreef. „Hoe vaak heb ik op een steen aan den weg, op een heuveltje in de hei, (…) aan dek van een mailstoomer, op ’t plechtje van een steigerende visscherbotter, of zelfs wel loopende naar een telegraafkantoor, mijn impressies en herinneringen aan ’t zooeven beleefde opgepend, nog in de eigen ontroering, de eigen drift van ’t gebeurde? Dat kan ’t werk frisscher, levender, warmer en echter maken.”

Peter Brusse schreef een prachtige biografie die mij inspireert om de mooiste boeken van zijn vader te gaan herlezen.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders