Grondlegger van de verslaggeverij van NRC

Pershistorie

In de rosse buurt en de haven, bij de hoeren en de dieven. Journalist M.J. Brusse (1873-1941) schreef over het leven van echte mensen. De biografie van zoon Peter Brusse is ook een geschiedenis van NRC.

M.J. Brusse lezend in de tuin, gefotografeerd door zijn zoon Ytzen in 1939.

Volgens sommigen was hij een man die ‘lezers liet glimlachen, schateren en trof in het hart’. Anderen noemden hem ‘de prins der journalisten’ maar ook een ‘zedenschilder’ of een ‘wereldverbeteraar’. En nog iemand had het over een ‘statige bohémien onder de mensen’. Voor mij was M.J. Brusse nog veel meer: de grondlegger van de verslaggeverij van NRC.

Aan de muren van onze redactielokalen in Amsterdam hangen schilderijen van oude mannen. Stichters van de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Uitgevers van het Algemeen Handelsblad. En foto’s van hoofdredacteuren (vier mannen en één vrouw) van NRC Handelsblad.

Maar uitgevers en hoofdredacteuren maken de krant niet. Dat zijn de journalisten. Daarom is het boek dat donderdagavond wordt gepresenteerd veel belangrijker dan de foto’s en schilderijen. Een boek over een opmerkelijk man die in de eerste helft van de vorige eeuw een cruciale rol speelde bij de ontwikkeling van deze krant, M.J. Brusse, die in 1941 op 67-jarige leeftijd overleed na drie huwelijken en zeven zonen.

Een van die zonen, de journalist Peter Brusse, schreef een warm portret van zijn vader ‘Rie’ Brusse, een man die hijzelf nauwelijks heeft gekend maar liefdevol tot leven wekt.

Het werd het verhaal van een van de grondleggers van de verslaggeverij pur sang. Geboren aan de rand van de Jordaan in 1873 koos Brusse voor het toen nog ongewone beroep van journalist. Aanvankelijk deed hij dat voor het links-liberale dagblad De Amsterdammer (dat zichzelf ook toen met grootstedelijke arrogantie ‘dagblad voor Nederland’ noemde). De eigenaar richtte maar al te graag zijn pijlen op de lezers van het Algemeen Handelsblad, waarvan de redacteuren ‘vuige lasteraars, huichelaars en vleiers’ waren en de lezers ‘oude sokken’. Vervolgens versloeg Brusse anderhalf jaar voor De Telegraaf ‘branden, feesten, vechtpartijen en tentoonstellingen’ maar stapte boos op toen de hoofdredacteur van twee gedeclareerde saucijzenbroodjes er één meer dan genoeg vond.

Saucijzenbroodjes

Het saucijzenbroodjesincident was een zegen voor NRC. Op 1 september 1894 meldde de Amsterdammer Rie Brusse zich aan bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant aan de Witte de Withstraat. Ondanks zijn haat-liefde-verhouding met Rotterdam (‘zo saai, zo suf, zo vaal’) zou hij ruim veertig jaar blijven bij dit deftige lijfblad van havenbaronnen, kooplieden en heren van de beurs en vooral: hij zou er de basis leggen voor de verslaggeverij. Beroemd werd zijn rubriek ‘Onder de menschen’ die vanaf de eeuwwisseling tweemaal per week verscheen. Geen analyses van achter het bureau, geen theoretische beschouwingen, geen commentaren.

Wel de journalist die eropuit trok om het echte leven te beschrijven. Van de Diergaarde, en het trieste lot van de daar opgesloten beesten, tot de ‘korrepikkers’ die in de Maas visten naar overboord geslagen kisten en kratten en, helaas ook soms mensen.

Brusse deelde het wel en wee van mannen die twee maanden aan een stuk opgesloten zaten op het lichtschip De Maas. Hij liet zijn baard en snor zwart verven, kocht armoedige zeemanskleren en ging undercover in de Rotterdamse haven. Hij portretteerde de koppelaars, de oplichters en paspoortvervalsers, de arme zeemansvrouwen die op zoek waren naar de man die zijn gage verzoop.

Hij doolde, nu eens samen met zijn vrienden Kees van Dongen en Isaac Israëls, dan weer met de twee oude bajesklanten Snok en Sam, door de Zandstraat, met de donkere stegen, sloppen en krotten eromheen. Deze rosse buurt was over de hele wereld beroemd en berucht. „Een opwindender nachtbuurt was niet gauw te vinden”, aldus Peter Brusse, die beschrijft hoe zijn vader zich verzette tegen de sloop van deze buurt die plaats moest maken voor het huidige stadhuis, volgens tegenstanders een ‘armzalig bijeengeklutste Renaissancetent met leugenachtige artisticiteit’.

Brusse interviewde Belgen die in 1914 op de vlucht sloegen voor de Eerste Wereldoorlog en de slachtoffers van de stormvloed in januari 1916 op het eiland Marken. Hij portretteerde de honderden ‘afdrijfsters’ die overal in Rotterdam in het geniep meisjes aborteerden, niet zelden met dodelijke afloop. Hij reisde door Canada in een T-Ford met open kap. Hij interviewde Anton Philips, ‘leider van de Philips fabrieken’, architect Hendrik Berlage, oprichter van de bioscooptheaters Abraham Tuschinski.

Aanklacht

Nationale faam kreeg hij met Boefje, dat eerst als feuilleton in NRC verscheen, dan in een tientallen keren herdrukt boek, een honderden keren opgevoerd toneelspel werd en werd verfilmd. Het was een Ciske de Rat avant la lettre, waarheidsgetrouwe literaire journalistiek, over het leven van een Rotterdams kind dat opgroeide voor galg en rad. Het werd een aanklacht tegen een onverschillige maatschappij genoemd, maar ook een getuigenis van mensenliefde.

Een verzoek om hoofdredacteur van de Groene Amsterdammer te worden weigerde hij. „Hij was te bang om op een bureaustoel op de redactie te komen, zijn vrijheid te verliezen”, aldus zoon Peter die beschrijft hoe zijn vader al bij al boos en verbitterd, omdat hij door de krant op pensioen werd gestuurd, stierf.

Peter Brusse schreef een liefdevolle biografie, en meteen een prachtig stuk persgeschiedenis. Als ik mag eindigen met een citaat zoals verslaggevers dat weleens doen: „Op zaterdag 19 november 1927 moest ook de NRC eraan geloven. Op die dag verscheen de krant met een geïllustreerd bijblad. Plaatjes in een deftige krant! Er waren lezers die erom gevraagd hadden. Anderen lieten weten geen foto’s in hun lijfblad te dulden. Geen frivoliteiten in een serieuze krant! Na lang beraad werd besloten tot een apart geïllustreerd bijvoegsel dat in de eigenlijke krant werd geleefd. De lezer kon het bijblad terzijde leggen.” NRC is altijd NRC geweest.

Peter Brusse: Onder de mensen. M.J. Brusse (1873-1941), journalist. Balans, 256 pagina’s, € 22,50