Opinie

Graag een miljard extra voor kennis

Nederland is nu economisch succesvol, maar het huidige niveau van investeringen in kennis is te mager, vinden Hans Clevers, Robbert Dijkgraaf en Ben Feringa.

Istock/bewerking NRC

Op zaterdag 22 april verheffen duizenden wetenschappers in de hele wereld hun stem. Het idee voor een March for Science is geboren in de Verenigde Staten, en opgepikt door bijna elke land ter wereld. Ook in Amsterdam geven wetenschappers op het Museumplein uitdrukking aan hun zorgen over afnemende steun aan de wetenschap. Het betreft zowel morele als financiële steun.

Vrijheid van wetenschapsbeoefening is een groot goed in de belangrijkste democratieën ter wereld. Dat met name in de VS bezorgde wetenschappers de straat opgaan om dit recht te verdedigen, heeft zeker te maken met het uitgesproken wantrouwen van de regering-Trump in de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, zoals bijvoorbeeld de bevindingen van klimaat- of gezondheidsonderzoekers.

Ook zijn er beperkingen opgelegd aan onderzoekers die hun kennis willen delen of die voor hun onderzoek moeten kunnen beschikken over data van de Amerikaanse overheid. Zorgen zijn er eveneens over de aangekondigde drastische bezuinigingen op onder andere onderzoek in de gezondheidszorg en op het gebied van energie en klimaat. En die zorgen zijn er niet alleen over Amerika. Ook in andere landen, zoals Turkije en sedert kort ook Hongarije, staat de vrijheid van wetenschap onder druk.

In landen zoals Amerika, Turkije en sedert kort ook Hongarije, staat de vrijheid van wetenschap onder druk.

Gelukkig beoefenen in Nederland wetenschappers hun beroep in vrijheid en als professionele groep krijgen zij een hoog cijfer van het Nederlandse publiek als het gaat om vertrouwen. We hoeven als wetenschappers in dit land niet de straat op om te laten zien dat ons werk relevant is; resultaten worden serieus genomen door beleidsmakers.

Onze overheid weet dat het stimuleren van wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk is voor economische welvaart en welzijn. Een hoog opgeleide bevolking in een land dat open staat voor internationale uitwisseling van ideeën en van kenniswerkers zorgt dat onze universiteiten tot de wereldtop behoren. Alle dertien Nederlandse universiteiten staan in de top 200; acht ervan staan in de top 100. We halen anderhalf keer zoveel onderzoeksgeld uit Europa als we betalen, en we zijn nadrukkelijk aanwezig in internationale samenwerkingsverbanden. Met 0,3 procent van de wereldbevolking behalen we drie procent van de wetenschappelijke citaties. Dat is een enorme prestatie voor een klein land.

En toch – ondanks deze klinkende cijfers en rankings, maken ook Nederlandse wetenschappers zich zorgen, vooral over afkalvende financiële steun. De afgelopen vijftien jaar is de financiële basis van het wetenschapssysteem geërodeerd, enerzijds omdat het aantal studenten aan de universiteiten met zo’n 57 procent is toegenomen, terwijl de financiering (gecorrigeerd voor inflatie) in die periode maar veertien procent steeg.

Nu na vele jaren stimulering eindelijk weer grote aantallen studenten zich melden voor de bèta-technische opleidingen, wordt daar nu een numerus fixus overwogen vanwege de beperkte onderwijsfaciliteiten. De druk op onderzoekers om geld te werven van buiten is enorm toegenomen, terwijl de universiteiten tegelijkertijd veel hebben geïnvesteerd in de verbetering en intensivering van onderwijs.

We volgen met zorg hoe de financiering van het Nederlandse wetenschapssysteem, toch al bescheiden, verder terugloopt.

We volgen met zorg hoe de financiering van het Nederlandse wetenschapssysteem, toch al bescheiden, verder terugloopt, bijvoorbeeld door het wegvallen van de FES-middelen (Fonds Economische Structuurversterkingen) en het terugschroeven van investeringen in onderzoek door andere ministeries dan die van OCW en van EZ. Ondertussen wordt in diverse disciplines het doen van toponderzoek duurder, vanwege kostbare apparatuur en infrastructuur.

Onze zorg groeit verder omdat landen om ons heen met vergelijkbare welstandsniveaus en economische groei juist meer investeren in wetenschappelijk onderzoek. De lidstaten van de Europese Unie spraken in maart 2000 af dat ze uiterlijk in 2020 zo’n drie procent van het bruto binnenlands product (bbp) zouden besteden aan research and development (R&D). Sommige landen komen zeer dicht in de buurt of gaan er zelfs overheen, zoals Duitsland, Zweden, Denemarken en Oostenrijk.

In die landen gaat het economisch goed en staat kennis op een voetstuk. Private investeringen in wetenschap en innovatie liggen er ook aanzienlijk hoger, gestimuleerd door pro-actief overheidsbeleid. Andere Europese landen – vaak nieuwe lidstaten – halen dat niveau bij lange na niet. Zij kampen met andere, grote problemen en vinden daardoor lastig aansluiting bij toonaangevende landen.

Nederland is een vreemde eend in deze bijt: we zijn economisch succesvol, maar het huidige niveau van investeringen in kennis is met minder dan twee procent van het bbp erg mager.

Om het topniveau van de Nederlandse wetenschap te bereiken, hebben we eerst decennia lang geïnvesteerd, om de laatste paar jaar qua investeringen flink uit de pas te gaan lopen met die kopgroep. Daarmee staat het concurrentievermogen op de internationale markt voor talent ernstig onder druk. Daarom is ook een stevige investeringsimpuls onontbeerlijk, zowel in de basis van het stelsel als in thematisch onderzoek naar de grote wetenschappelijke en maatschappelijke uitdagingen die ons land te wachten staan. Ook voor het bedrijfsleven is de kwaliteit van het onderzoek en aanwezigheid van talent cruciaal als randvoorwaarden voor nieuwe investeringen.

Lees ook het profiel van Feringa: Hoe won Ben Feringa die Nobelprijs?

Toen de economie in een dal zat, hebben de kennisorganisaties en de vertegenwoordigers van het bedrijfsleven kortingen geaccepteerd, maar tegelijkertijd het kabinet gevraagd te investeren zodra de economie dat weer zou toelaten. Dat is nu. We doen daarom een dringende oproep aan het nieuwe kabinet om het pleidooi van de kenniscoalitie – alle kennisinstellingen, VNO-NCW en andere partners – voor een structurele extra investering van ten minste 1 miljard euro per jaar in onderzoek en innovatie ter harte te nemen. Alleen zo kunnen we de draagkracht en spankracht van het Nederlandse onderzoek in stand houden.

Zaterdag 22 april laat de Nederlandse wetenschap zich horen en zien. Dat doet ze uit solidariteit met internationale collega’s die morele steun nodig hebben. Ze doet dat ook uit oprechte zorg over het huidige te lage investeringsniveau in eigen land.

Als Nederland echt een kennisland van formaat wil zijn, moet het daadkracht tonen. Ja, we uiten onze zorgen en we doen dat één keer dit weekend. Maar maandag gaan we weer hard aan het werk – op zoek naar antwoorden op grote vragen; op jacht naar oplossingen voor grote kwesties; aan het bouwen van een fundament voor onze toekomst.

Hans Clevers is verbonden aan het Hubrecht Instituut en Prinses Maxima Centrum, Robbert Dijkgraaf is verbonden aan het Institute for Advanced Study, Princeton (VS) en Ben Feringa is verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen.