Recensie

Dit las en leest de jeugd dus over joden

Joods in de jeugdliteratuur

Historicus en journalist Ewoud Sanders heeft in zijn proefschrift jeugdliteratuur over jodenbekering geïnventariseerd. Hij vond veel boeken die bol staan van joodse stereotypen.

Dertig jaar geleden, in 1987, kwam de Anne Frank Stichting (AFS) in bezit van een opmerkelijk kinderboekje, Thirza getiteld. Het was een hervertelling uit 1981 van een negentiende-eeuws Duits bekeringsverhaal over de dochter van een rijke joodse bankier. Als Thirza tot het christendom komt, vertelt zij aan de vrouw van de dominee: ‘Mijn vader leerde mij steeds opnieuw Jezus en het geloof van de Christenen te haten.’ Toch brengt God haar uiteindelijk genade.

Het boekje stond vol met dit soort voorbeelden van de veronderstelde haat van joden ten opzichte van christenen. De AFS was onthutst en vroeg de gereformeerde uitgever van het boekje, Wim den Hertog, om opheldering. Werd hier niet een eeuwenoud cliché in de praktijk gebracht, namelijk dat het met de joden pas goed komt als zij zich tot het christendom bekeren? Den Hertog reageerde sussend. ‘Het is bijna gebeurd met dit soort boekjes. We zullen ze in de ramsj doen en er voortaan extra op letten.’ Toch was hij verbaasd over de terechtwijzing van de AFS: het was immers absoluut niet de bedoeling geweest om te discrimineren.

In maart kwam uitgeverij Den Hertog opnieuw in het nieuws, en weer was een bekeringsverhaal de oorzaak. Dit keer ging het om De zoektocht van Lea Rachel uit 1999 – blijkbaar was het toch niet ‘bijna gebeurd’ met dit soort boekjes. Net als bij Thirza was dit een hervertelling van een negentiende-eeuws verhaal. En ook hier ging het om een joods meisje dat langzaam aangetrokken wordt tot het christendom, maar tegenstand ondervindt uit haar omgeving: ze wordt zelfs bedreigd, mishandeld en uitgehongerd. Toch laat ze zich niet van de wijs brengen, en aan het einde van het verhaal wordt ze, verstoten door haar familie, gedoopt in een overvolle kerk.

Ook nu vond de uitgever dat er ‘niets mis’ was met de inhoud van het boekje. Toch wilde hij de emoties respecteren die het had opgeroepen; het zal niet meer herdrukt worden. Wel blijft het vooralsnog gewoon verkrijgbaar. ‘Door het boek niet te herdrukken hebben we al een mooi gebaar gemaakt’, verklaarde een woordvoerder.

Het nieuwe relletje was ontstaan door de publicatie van het proefschrift Levi’s eerste kerstfeest van historicus en journalist Ewoud Sanders (1958), waarin hij op de eerste pagina citaten uit het boekje heeft opgenomen. Die citaten gaan over het ‘echte Joodse uiterlijk’ van Lea’s broer (zwart haar en een gebogen neus), over Lea’s vader die altijd op de grond spuwt als hij het over christenen heeft, en over het favoriete spel van haar broertjes: ‘gojimpakkertje’. Het lijkt op z’n minst opmerkelijk dat er van een dergelijk boek tussen 1999 en 2015 ruim 10.000 exemplaren zijn verkocht, en dat het in februari 2000 zelfs op nummer vier stond in de ‘Boekentoptien jeugdboeken’ van het Reformatorisch Dagblad.

Maar beide boekjes staan niet op zichzelf, zo blijkt uit de handelseditie van het proefschrift van Sanders. Met inventieve digitale zoektechnieken vond hij 67 (orthodox-)protestantse en 13 katholieke jeugdverhalen over jodenbekering, die tussen 1792 en 2015 in Nederland zijn gepubliceerd. In het eerste deel van zijn boek plaatst hij deze verhalen (overigens nogal summier) in de context van de Jodenzending en -missie, kijkt hij uitgebreid naar de verspreiding en receptie ervan en zoekt hij naar overkoepelende verhaalpatronen.

Ook is het opvallend hoeveel excessief geweld er in de verhalen voorkomt

Dat levert enkele interessante observaties op. Zo blijkt uit vrijwel alle verhalen, al is het soms onder de oppervlakte, een ambivalente houding ten opzichte van joden. Veel verhalen zijn mede bedoeld om bij de christelijke jeugd respectvol gedrag ten aanzien van joden te kweken, maar ze staan tegelijkertijd bol van de joodse stereotypen. Mooi laat Sanders bijvoorbeeld zien welke betekenis er in de ogen van hoofdpersonen wordt gelegd: christenen hebben doorgaans vriendelijke blauwe ogen, joden die vasthouden aan hun geloof hebben donkere ogen met negatieve eigenschappen (‘onheilspellend’, ‘toornig’). Joden die bevattelijk zijn voor bekering hebben eveneens donkere ogen, maar dan zonder negatieve eigenschappen. Hun blik is in eerste instantie vaak zoekend, maar na de bekering stralend en dankbaar.

Ook is het opvallend hoeveel excessief geweld er in de verhalen voorkomt. Meestal kunnen orthodox-joodse ouders het niet verkroppen dat hun kinderen zich aangetrokken voelen tot het christendom, waarna zij hen bruut in elkaar slaan, in een brandende oven stoppen of – jawel – kruisigen. En dat terwijl de boekjes toch geschreven zijn voor jonge tot zeer jonge kinderen.

Een enkele keer maakt Sanders – bekend van zijn wekelijkse taalrubriek in deze krant – plaats voor een uitstapje naar de taalgeschiedenis, zoals in een boeiende uitweiding over het verband tussen joden, speeksel (‘jodenlijm’) en spugen (‘een jood in de keel hebben’) in de Nederlandse volkstaal. Maar over het algemeen houdt hij strak vast aan zijn doel, het nauwkeurig in kaart brengen van de (weinige) verschillen en (vele) overlappingen in jeugdverhalen over jodenbekering.

Aan het einde van het eerste deel schrijft hij vervolgens dat er interessante vervolgvragen te stellen zijn. In hoeverre volgen de jeugdbekeringsverhalen over joden bijvoorbeeld de ‘algemene’ bekeringsverhalen over groepen als Sinti en Roma, straatkinderen en inheemse inwoners van overzeese gebiedsdelen? En heeft de joodse gemeenschap literaire middelen ingezet om tegenwicht te bieden?

Dat zijn zeker interessante vragen, en zo zijn er nog wel meer te bedenken. Hoe groot was bijvoorbeeld de impact van dergelijke boekjes? Is het werkelijk zo dat, om met Godfried Bomans te spreken, de meeste volwassenen ‘een misvatting, als kind opgedaan, ongewijzigd bij zich dragen’? En wat zeggen de verhalen over de diepgewortelde interesse van veel (orthodox-)protestanten in het jodendom – en in het verlengde daarvan: in Israël?

Een meelezer

Het lag voor de hand dat Sanders in het tweede deel van zijn boek dieper op dit soort vragen zou ingaan. Maar dat valt tegen. Merkwaardig genoeg bestaat dit tweede deel uit 300 (!) pagina’s met, naast gegevens over herkomst, drukgeschiedenis, doelgroep, receptie en beschikbaarheid, voornamelijk uitgebreide samenvattingen van álle tachtig verhalen, terwijl hij in deel één juist grondig heeft betoogd hoezeer de verhalen op elkaar lijken. ‘Het gaat maar door, het houdt nooit op,’ citeert Sanders eerlijk een meelezer, die blijkbaar ook verbaasd was over deze keuze. Maar voor Sanders vormde het repetitieve karakter van de teksten juist een reden om zijn aantekeningen integraal over te nemen – de herhaling is volgens hem ‘veelzeggend’. Een magere motivering.

Nu resteert een mooi uitgegeven boek over een origineel en interessant onderwerp, waarin aanzetten worden gegeven voor diepere analyse, maar dat uiteindelijk vooral voor bibliofielen aantrekkelijk zal zijn.