Recensie

Fransen zien louter verval maar blijven toch trots op hun land

Franse presidentsverkiezingen

Voorafgaand aan de eerste ronde overheerst het pessimisme in de Franse politieke non-fictie.

Foto Stephane Mahe / Reuters

Fransen zien het leven somber in. In geen ander Europees land hebben inwoners minder vertrouwen in de toekomst. Uit een wereldwijde peiling van opiniebureau Gallup bleek in 2011 dat Fransen zelfs minder optimistisch over het welvaren van hun land zijn dan inwoners van Irak en Afghanistan. Boeken over deze breed gevoelde malaise en het sentiment van déclin (verval) zijn steevast bestsellers.

Recent hoogtepunt was Le suicide français van Figaro-columnist Éric Zemmour. Hij verpakte zijn onheilsboodschap over de voorhoede van mei ’68 die het land zou hebben uitgeleverd aan globalisering en islamisering, in zoete nostalgie naar het Frankrijk van De Gaulle en de economische voorspoed tijdens de trente glorieuses na 1945. Geograaf Béatrice Giblin gooit het over een andere boeg. Hoe kan het, schrijft ze in haar onlangs verschenen Le paradoxe français, dat Fransen louter verval zien en toch trots blijven op hun land?

Geen volk is volgens andere Europeanen arroganter dan het Franse. Maar kunnen ze trots zijn op vijfentwintig jaar massawerkloosheid, op politici die onmachtig blijken de economie structureel te hervormen, een leeglopend platteland en een onderwijssysteem dat met al zijn uitvallers niet meer de voor het republikeinse model zo karakteristieke verheffingsmotor is?

Voor de wortels van het onbehagen gaat Giblin verder terug in de tijd. Ze dateert het begin van dat gevoel van verval al in de 18de eeuw, toen het Franse geboortecijfer achterbleef bij dat van de rest van Europa. Terwijl onder Lodewijk XIV Frankrijk nog het West-Europese land met de grootste bevolking was, zette de groei – na de revolutie van 1789 en de veldtochten van Napoleon – om nooit geheel opgehelderde redenen niet door.

Vond in 2006 nog 29 procent van de Fransen ‘dat alles anders moet’. Nu ligt dat cijfer op 54 procent

Frankrijk deed er na de 17de eeuw maar liefst twee eeuwen over om de bevolking te verdubbelen (van 20 miljoen inwoners eind 17de eeuw naar 40 miljoen in 1945).

Om aansluiting te houden bij de nieuwe economische grootmacht Engeland, moest het land al vroeg buitenlandse werknemers importeren, aanvankelijk vooral Belgen, Italianen en Polen. Later kwamen daar migranten uit de Arabische en Afrikaanse koloniën bij, met als gevolg (door toenemende werkloosheid) zorgen over integratie en de Franse identiteit.

Uitstraling

Frankrijk, schrijft Giblin, is dan misschien geen ‘wereldmacht’ meer, maar het kan zich nog wel een ‘grande nation’ noemen. Fransen kunnen ook vandaag nog trots zijn op hun internationale uitstraling als ‘land van de mensenrechten’, dat met een groot leger niet terugdeinst voor buitenlandse interventies, op de strikte scheiding van kerk en staat (laïcité), op het belang dat overheden hechten aan cultuur en, denkt ze zelfs, op Frankrijk als ‘land van immigratie’.

Dat laat zich vanachter een bureau in Parijs gemakkelijk opschrijven, maar in de provincie zijn die concepten soms ver te zoeken, constateerde oorlogsverslaggeefster Anne Nivat. Toen zij president Hollande in 2015 na de terroristische aanslagen hoorde zeggen dat Frankrijk ‘in oorlog’ is, besloot ze het Midden-Oosten in te ruilen voor haar eigen land. Ze koos zes min of meer onopvallende steden waar ze, zoals ze dat in werkelijke oorlogsgebieden ook deed, bij ‘echte mensen’ logeerde om een beter beeld van hun leven te krijgen.

Dat leidt in Dans quelle France on vit tot mooie, lange reportages over een land in verwarring. Nivat staat met werklozen in de rij bij het arbeidsbureau, duikt in het verenigingsleven en ontmoet Françaises die zich naar volle tevredenheid tot de islam bekeerd hebben. ‘In oorlog’ is Frankrijk natuurlijk niet, maar veel Fransen hebben wel het gevoel op de een of andere manier belaagd te worden: door immigratie, door Europese regels of (vaker nog) door de bureaucratie.

Foto Lionel Bonaventure / AFP

De plaatsen die Nivat bezoekt (onder meer het Normandische Evreux, Laon in het noorden en Montluçon in het centrum) liggen alle in wat geograaf Christophe Guilluy la France périphérique noemt: het Frankrijk buiten de grote, dynamische steden waar de spreekwoordelijke ‘verliezers van de globalisering’ wonen.

Guilluy zoekt al jaren naar nieuwe breuklijnen in de Franse samenleving. Zijn analyses over de groter wordende kloof tussen een ‘open’ Frankrijk dat optimaal profiteert van de globalisering en Europa (plus goedkope arbeid door immigratie), en een Frankrijk dat verarmd achterblijft in de provincie en neigt tot een stem voor Marine Le Pen, lijken voor een groot deel het stemgedrag en het uiteenvallen van de gevestigde politieke partijen bij de huidige verkiezingen te verklaren.

Lees ook: Met de naderende verkiezingen verscheen in Frankrijk recent veel politieke fictie. Welk beeld doemt daaruit op?

In zijn nieuwe boek Le crépuscule de la France d’en haut (De ondergang van Frankrijk van bovenaf) werkt Guilluy dat verder uit. Door de globalisering en de dominantie van de markt is een nieuwe klassenmaatschappij ontstaan, schrijft hij, waarbij de grote steden volgens hem ‘middeleeuwse burchten’ zijn geworden waar alleen een nieuwe bourgeoisie die het kapitalisme omarmd heeft, nog kan wonen en die de rest van Frankrijk met zijn links-liberale en open ideologie onder de duim heeft. De omschrijving lijkt uitstekend van toepassing op de aanhang van presidentskandidaat Emmanuel Macron.

Maar de ‘nieuwe’ scheidslijn van Guilluy was al veel vroeger te zien. De contouren van het perifere Frankrijk tekenden zich al af bij het Franse referendum in 1992 over het Verdrag van Maastricht, dat onder meer tot de invoering van de euro leidde. Het ja-kamp won toen nipt (51 procent), maar de campagnes zorgden voor de eerste barstjes in de gevestigde machtsblokken op links en rechts vanwege politici die weigerden het stemadvies van de partijtop te volgen (met onder meer op rechts François Fillon, de huidige presidentskandidaat.) De kloof werd binnen de partijen nog dieper in 2005 na het (verloren) referendum over de Europese ‘grondwet’.

Front National

Een deel van de achterblijvers stemt op het populistische Front National. Maar wat vooral opvalt in de reportages van Nivat, is dat ook mensen die zeggen Le Pen te willen stemmen, niet veel van haar verwachten. Politiek heeft in brede zin afgedaan, ongeacht het economische en sociale milieu: ‘overal viel op dat de politiek geen legitimiteit meer had’, schrijft Nivat.

Die onverschilligheid is de ‘werkelijke crisis van de democratie’ in Frankrijk, meent politicoloog en opiniepeiler Brice Teinturier. Hij won onlangs de Prix du livre politique voor Plus rien à faire, plus rien à foutre (‘Niets mee te maken, kan me geen zak schelen’). Terwijl in de jaren zeventig nog 70 procent van de Fransen zei zich te interesseren voor de politiek, is dat nu krap de helft.

Teinturier ziet de deceptie ontstaan tijdens het presidentschap van Mitterrand in de jaren tachtig: zelfs een socialist bleek niet in staat Frankrijk wezenlijk te veranderen. Het aantal afhakers bereikt nu een nieuwe piek na de breed gevoelde teleurstelling over twee presidenten op rij, Sarkozy en Hollande, en het gebrek aan aansprekende kandidaten die daadwerkelijk beloven het ‘systeem’ te veranderen. Vond in 2006 nog 29 procent van de Fransen ‘dat alles anders moet’. Nu ligt dat cijfer op 54 procent. Vier op de tien Fransen opteren voor niets minder dan ‘een revolutie’. ‘Resultaten’, concludeert Teinturier, ‘die heel serieus genomen moeten worden.’