OP ZOEK NAAR DE ZIEL VAN DE HOOFDSTAD

De engel van Amsterdam door Geert Mak 269 blz., Atlas 1992, f 36,90 ISBN 90 254 0034 5

Op een druilerige ochtend om half negen staat er een naakte vrouw op straat. Ze bevindt zich aan de Amsterdamse Kloveniersburgwal, vlakbij de Oude Manhuispoort, en is bezig zich te verkleden. De kledingstukken die ze heeft uitgetrokken liggen op de stoep en ze is doende om uit een vuilniszak iets anders te voorschijn te halen. Ze staat er bij alsof de stad haar slaapkamer is. Er lopen tal van mensen langs op deze drukke gracht, maar niemand kijkt op of om. Niemand, behalve de journalist Geert Mak, die toevallig voorbij komt.

Mak beschrijft het incident in De engel van Amsterdam. Hij wijdt er niet meer dan een paar terloopse zinnen aan. De jonge blanke vrouw met de rode handen, het loshangende haar en de kuiltjes in haar billen verdwijnt net zo plotseling als ze verscheen. Had Mak haar in gedachten toen hij de titel voor zijn bundel opstellen en reportages vastlegde? Het zou een goede keuze zijn geweest, want de anonieme vrouw is een waardig symbool van het Amsterdam dat Mak ten tonele voert; een "Legioen van Oneer', bestaande uit zwervers, alcoholici, spuiters, hoeren, dieven, straatslijpers en holbewoners. Dit legioen telt, in de woorden van Mak, ""een paar duizend man en een honderdtal vrouwen, maar over de precieze aantallen hebben de professoren al jaren ruzie. Al sinds mensenheugenis is er slechts een handvol vrouwen bij, het zijn vrijwel allemaal mannen. "Iedere vrouw heeft een je weet wel, een eeuwig geldmakertje, en het moet wel raar lopen als ze daarmee niet onder dak kan komen', zeggen de jongens jaloers.''

Het is een wereld die zich grotendeels aan de waarneming van "fatsoenlijk' Amsterdam onttrekt. Men ziet de buitenkant, in de vorm van bedelaars en vuilnisbakkenvreters, maar dat nodigt niet uit tot een nadere verkenning. Dat uiterlijk verbergt een veelkleurig geheel van de meest uiteenlopende mensen, die één ding gemeenschappelijk hebben: hun sociaal netwerk is zó gebrekkig dat ""letterlijk niemand meer naar hen omkijkt'', zoals Mak opmerkt. ""Ze vormen de bodem, de paria's van een samenleving die zich meer en meer in delen splitst.'' Mak dringt er zelf wel in door en trekt op met Rick, die hem colleges geeft in de dakloosheidskunde, met Henkie Oorbel en Boeddha, met Angela en Trol. ""De wereld is klein, en ons kent ons in dit circuit'', stelt de auteur vast. ""Oude Jan, Gina's Lange Jan die drie keer per week in de politiecel zit en die net zes maanden heeft opgeknapt voor steken, Rick, die door iedereen Glimpie wordt genoemd, Vieze Tom die niet van de kleine meisjes af kan blijven en die zichzelf Gemeentelijk Opzichter noemt van alle kinderspeelplaatsen, en Simon Slok, die met zijn grijze baard op alle stationsaffiches van het Leger des Heils staat.''

ZELFKANT

Mak beweegt zich in de traditie van de negentiende-eeuwse social explorers, de sociale ontdekkingsreizigers, die het bonte leven aan de zelfkant van de stedelijke samenleving te voorschijn toverden door dit van binnenuit te beschrijven voor een burgerlijk lezerspubliek, dat zowel geschokt als gefascineerd was door zulke reportages. Hij is op zijn best in zijn beschrijving van de onbehuisden die rondzwerven in de buurt van het Centraal Station en het bijna weemoedige verslag over de manier waarop de stadsnomaden hun eigen dorp vestigden op het KNSM-eiland en hoe deze samenleving weer werd afgebroken. Hij laat daar zien dat de verschillende sociale werelden waaruit de stad bestaat op elkaar botsen en elkaar benvloeden. De straat is een uitstekende leerschool, en Mak toont zich een gretige leerling. Hij wordt een keer uitgenodigd om met een hoer mee te gaan naar haar hotelkamer. De meisjes mogen alleen met een "klant' het hotel binnen, een maatregel die bedoeld is om drugsgebruik tegen te gaan. Met behulp van zo'n nepklant kunnen ze nog even terug naar de kamer om een "shot te zetten' nadat de echte klant is afgewerkt. De pseudoklant wordt beloond met een gratis vluggertje. Veel meisjes doen "het' dus vaak twee keer voor één bolletje herone. ""Voor de liefhebbers van Aids-statistieken'', zegt Mak, ""het aantal verschillende seksuele contacten kan zo in een paar dagen tijd oplopen tot vele tientallen.'' De straathoer Regina legt Mak uit dat je in dit leven niet al te kieskeurig kunt zijn. ""Stel je even voor'', zegt ze, ""je krijgt vijftig gulden voor normaal. Maar als je zonder kapotje neukt krijg je honderd gulden. Voor honderd gulden heb je twee shotjes. Dat betekent dus dat je eerder naar huis kunt gaan, dat je eindelijk rustig kunt liggen, lekker in je eigen warme nest, en niet met al die viespeuken die bepist en aangespuugd willen worden en met hun vuist in je kont willen neuken, allemaal omdat ze dat met een heronehoertje wel denken te kunnen doen.''

Op het KNSM-eiland werd de sociale hiërarchie bepaald door de mate waarin men kon beschikken over het belangrijkste schaarse goed: elektriciteit. Wie dat niet had moest in het donker zitten. Mak laat zien hoe de uit Bradford afkomstige eigenaars van The Last Bus Shelter zich dank zij de afgetapte stroom konden ontwikkelen tot de absolute heersers over het eiland. Ze lasten eerst twee oude autobussen aan elkaar en begonnen pizza's en bier te verkopen. Er kwam een luifel bij, nog een uitbouw en ten slotte zelfs een bovenverdieping voor "het kantoor', compleet met een trap en een balkon. In de "busbar' kwam een open haard en er werd zelfs een biljart genstalleerd. Hier werd ""een oord van ontmoeting voor alle verworpenen der aarde'' gevestigd. Toen het eiland uiteindelijk ontruimd moest worden hebben de Engelsen de autoriteiten vermoedelijk een handje geholpen door een flink deel van de bouwwerken in de fik te steken.

EER EN ONEER

In De engel van Amsterdam wordt ook aandacht geschonken aan enkele vreemde kostgangers die zich aan de andere kant van de streep tussen eer en oneer bevinden. Mak verdiept zich in de achtergronden van de orthodox gereformeerde gemeente die bijeenkomt in de Noorderkerk en schetst de opkomst en de ondergang van CDA-fractievoorzitter Theo Heijne. Mede als gevolg van problemen in zijn privéleven, ging de bourgondische Heijne zich vanaf 1988 in de gemeenteraad steeds onmogelijker gedragen. Zijn wollige taalgebruik werd scherper en op den duur brachten zijn interrupties menig collega-raadslid tot wanhoop: ""Hou toch op!''; ""Wat een onzin''; ""Dat meent u niet!''; ""Is dat de gemeenteraad? Daar word je toch gek van?''.

Vooral na aanvallen op zijn eigen wethouder was Heijne niet meer te handhaven en zijn politieke vrienden lieten hem als een baksteen vallen. ""Nog eenmaal was er in die maanden een ouderwets verjaardagsfeest, zoals er vroeger zoveel waren geweest bij Theo Heijne'', schrijft Mak aan het eind van zijn verhaal over de politicus. ""Nog eenmaal was zijn nieuwe huis met de eikehouten luiken vol gasten en vrienden. De hele christen-democratische partij was present, de kamers waren vol geklink van glazen, gepraat en gelach. Twee dagen later werd Theo afgezet als fractievoorzitter.'' Overigens illustreert dit wrange portret de vluchtigheid van de journalistiek, want dezer dagen werd bekend dat Heijne een nieuwe vriendin gevonden heeft en uit een diep dal naar boven is geklauterd. Hij zou zich opmaken voor een come back in de plaatselijke politiek.

Maks boek is méér dan alleen een gekkenparade. De afzonderlijke stukken stadsleven die hij beschrijft vormen tezamen het mozaëk van Amsterdam. Maar wat is het typische, het kenmerkende van de stad? ""Hoe is Amsterdam te bevatten?'', vraagt Mak zich af. Op verschillende manieren probeert de auteur tot deze kernvraag door te dringen. In een lang hoofdstuk behandelt hij de geschiedenis van de stad, aan de hand van de opeenvolgende bewoners van een bepaald huis aan de Oudezijds Voorburgwal. In een ander hoofdstuk volgt hij de route van tramlijn 10 en de uiteenlopende buurten waar deze doorheen loopt. Ook probeert hij de contrastwerking uit, in het hoofdstuk over de Scheldestraat, volgens hem de "ruggegraat' van de stad, die hij afzet tegen de problemen elders. Het zijn pogingen die wel eens eerder zijn ondernomen en soms beter. Als de "ruggegraat' van de stad ter sprake komt, bijvoorbeeld, wordt de reportage in Vrij Nederland van Gerard van Westerloo en Elma Verheij in herinnering geroepen over "De pont van half zeven'.

Veel opzienbarends heeft Mak eigenlijk niet te vertellen over het karakter van Amsterdam. Op verschillende plaatsen laat hij doorschemeren dat immigratie een bepalende invloed heeft gehad op de stad, maar dat geldt voor veel andere steden ook. Maks kracht zit in zijn vermogen concrete gebeurtenissen te beschrijven, niet in zijn filosofische bespiegelingen over wat de stad ooit geweest is of hoe ze zich zal ontwikkelen. Hij voorziet in Amsterdam het ontstaan van ""de Hollandse variant op het getto'': uitzichtloosheid, apathie en marginalisering, niet als consequentie van het ontstaan van achterbuurten, maar als gevolg van immateriële omstandigheden. ""Het Hollandse getto ligt niet meer op straat, het zit de mensen in de kop'', betoogt Mak. De wachtkamers zitten niet vol met hoestende bejaarden die vochtige huizen bewonen, maar met ""jongeren en vrouwen en buitenlanders, die hoofdpijn hebben, en buikklachten, en ander psychosomatisch ongerief''. De auteur merkt op: ""Het Hollandse getto is overal en nergens. Het is de tobstad, het is sociale smog.'' In zulke passages wordt de precisie van de mededelingen opgeofferd aan zinloze verbale krachtpatserij.

Het is waar, de verleiding om tussen verschijnselen, incidenten, drama's en ontwikkelingen die zich op een betrekkelijk beperkt grondgebied voordoen, een allesomvattend verband te zoeken is groot. Daardoor zou immers alles op z'n plaats kunnen vallen. Maar dat is natuurlijk te hoog gegrepen. Steden betekenen voor iedereen weer wat anders en deze betekenis is steeds sterk gebonden aan tijd, positie en situatie. Er bestaat niet zoiets als "de' engel van Amsterdam, de stad kent een hele schare van engelen. Mak heeft dat in zijn bundel, waarschijnlijk onbedoeld, maar overduidelijk, laten zien.

    • Lodewijk Brunt