Column

Enthousiasme en oorlog

Er hangt veel oorlogsenthousiasme in de lucht. Niet alleen in het Midden-Oosten, maar ook boven het Witte Huis en vooral boven het fraai opgeschoren hoofd van Kim Jong-un in Noord-Korea. „Een kernoorlog kan elk moment uitbreken”, liet een hoge Noord-Koreaanse diplomaat bij de VN weten.

De Donald had vanuit Washington al eerder geroepen dat hij het Noord-Koreaanse probleem wel even zelf zou regelen („take care of”) als iedereen te beroerd was om hem een handje te helpen. Hij heeft al een aantal oorlogsschepen vooruitgestuurd om die Koreaanse motherfuckers te waarschuwen.

Willen ze oorlog? Dan kunnen ze het krijgen! „De afgelopen twee weken heeft de wereld de kracht en de vastberadenheid van onze president gezien”, zei een trotse vice-president Mike Pence in Zuid-Korea. Hij keek erbij alsof hij de moeder van alle atoombommen het liefst meteen uit zijn achterzak wilde toveren.

Oorlogsenthousiasme. Europa 1900-1918 is de titel van een boek van historicus Ewoud Kieft over het enthousiasme bij nota bene de culturele elite van Europa voor de Eerste Wereldoorlog. Duizenden van Europa’s belangrijkste wetenschappers en kunstenaars (Freud, Wells, Majakovski, Mann, Zweig) reageerden om uiteenlopende redenen euforisch toen die oorlog uitbrak, constateerde Kieft.

Eén van hen was de Duitstalige Zwitserse schrijver Hermann Hesse, die vijf maanden nadat die oorlog was uitgebroken, schreef: „Dat bevalt me eigenlijk aan deze fantastische oorlog, dat die helemaal geen ‘zin’ lijkt te hebben.”

Dat viel me tegen van Hesse, want ik had eerder een bloemlezing uit zijn brieven gelezen. Daarbij was ik vooral getroffen door een brief die hij op 1 maart 1946 schreef aan een Duitse kennis, een zekere Wilhelm Schussen uit Tübingen. Deze Schussen had het kennelijk gewaagd om Hesse te schrijven dat hij en veel andere Duitsers „niets hadden geweten” van Hitlers gruweldaden.

„Uw brief heeft me geraakt, maar me ook erg laten schrikken”, schrijft Hesse. „Jullie hebben er allemaal niets van geweten! Niet dat het gevaar van Hitler al door zijn staatsgreep in München [1923] bleek, niet dat hij door jullie ‘republikeinse’ autoriteiten vertroeteld werd in plaats van bestraft (…). En dan, vanaf 1935 kon je in jullie land geen kuuroord voorbij rijden of er stond op grote borden te lezen ‘Juden unerwünscht’, om nog maar te zwijgen van het overal aangebrachte ‘Juda verrecke’ waaruit iedere niet-blinde de naderende pogroms duidelijk kon aflezen.”

„Nee”, gaat Hesse woedend verder, „voor mij was Hitler al jaren voordat hij de macht greep geen raadsel meer, en helaas was ook het Duitse volk dat niet meer toen het de satan koos en aanbad, en hem alle krediet gaf bij al zijn afschuwelijkheden.”

En dan schrijft Hesse de zin waaruit impliciet spijt blijkt over zijn houding in de Eerste Wereldoorlog: „Ik ben blij dat ik me al tijdens de eerste oorlog van Duitsland en zijn vervloekte kanonnenpolitiek heb losgemaakt.” Zijn tijdelijke enthousiasme verzwijgt hij – die gunt hij meneer Schussen niet. Hij voegt hem nog wel toe dat al die ‘onwetenden’ en ‘onschuldigen’ van de Tweede Wereldoorlog, zoals Schussen, „tot hun knieën door het bloed waden”.

Voor Hesse gold voortaan: nooit meer oorlogsenthousiasme.