Commentaar

De strafrechtspraak staat er niet goed voor

Aan de jongste hartenkreet van de Raad voor de Rechtspraak – „de grens is bereikt, meer geld is nodig” – kan het nodige worden afgedaan. Wat dan ook hier gewoontegetrouw zal (blijven) gebeuren – en dat is evenzeer vast onderdeel van het ritueel rond kabinetsformaties, als de eeuwige roep van de belangenbehartiger om meer geld.

Maar eerst dit: voorzitter Bakker van de Raad heeft óók een punt. De afgelopen jaren zaten de begrotingen van Justitie met touw en plakband aan elkaar. De rechtshandhaving moest mee bezuinigen. Gaten werden gedicht met hogere griffierechten, meer boetes, personeelsstops, binnenwaaiende megaschikkingen en nog te sluiten bureaus, gevangenissen en rechtbanken. Investeringen in digitale infrastructuur, hoger opgeleid personeel en nieuwe opsporingsterreinen bleven uit. Terwijl in het ene na het andere rapport het strafrechtbedrijf in al zijn krakkemikkigheid werd beschreven.

Nog vorig jaar werd over de recherche genoteerd dat we „voorlopig moeten accepteren dat we ons wat politie-ICT betreft niet kunnen meten met hoog ontwikkelde landen als Canada, Estland en Turkije”. Dat is bij OM en rechtbanken niet anders. Pogingen om de strafrechtketen te automatiseren mislukten tot nu toe. In 2001 ging het Hoger Beroeps Strafrechtsysteem definitief onderuit, in 2011 werd het Geïntegreerd Processysteem Strafrecht stilletjes afgevoerd. Aan geldgebrek lag dat overigens niet, wel aan gebrekkige samenwerking en afstemming. De rechtshandhaving is ook berucht om zijn gescheiden werelden en culturen. Dat de vraag om meer geld nu wordt onderbouwd met een rapport van een gezamenlijke commissie van OM, rechtspraak en politie, is uniek. Dat stemt hoopvol en licht cynisch tegelijk.

‘Justitie’ komt uit de Lehman-recessie dan ook tevoorschijn met tien jaar moderniseringsachterstand in organisatie en productie. En daarnaast met kwalitatieve schade door ongelukkige of verkeerde tussenoplossingen. Er is bijvoorbeeld ingeleverd op bescherming door de rechter ten gunste van directe repressie door de overheid, in de vorm van strafbeschikkingen van het OM of zware bestuurlijke boetes van overheden, in plaats van de rechter.

De strafrechtspraak staat er dus niet goed voor. Bestuurders, bijvoorbeeld in Brabant, vertrouwen liever op „bestuurlijke handhaving” dan dat ze met een zaak naar Justitie gaan. Dat duurt te lang en levert te weinig op. Hun bestuurlijke aanpak komt neer op een informele oploop van locale handhavers van fiscus, huisvesting en allerlei inspecties. Met datakoppeling als troef en met controlefrequentie en vergunningsbeleid als sancties. Dergelijk locaal opjaagbeleid kan de rechtsstatelijke toets overigens niet doorstaan – het is gebruik van bevoegdheden voor doelen waar ze in deze combinatie en intensiteit niet voor bedoeld zijn. Politiek is er verrassend weinig weerstand tegen.

Dat Bakker nu ook de megaschikkingen hekelt, bijvoorbeeld in de Libor-zaak, of nog onlangs met PWC, is overigens terecht. Ook daar is de strafrechter uit beeld aan het raken. Bij grote schikkingen kan een rechterlijke toets inderdaad niet gemist worden. De rechtsongelijkheid spat er vanaf – ‘schikken’ met vooral het kapitaalkrachtige bedrijfsleven dreigt klassenjustitie te institutionaliseren.

Dergelijke ontwikkelingen vreten aan de rechtsstaat, van binnenuit. De corporate wereld mag zich niet immuun wanen voor strafvervolging, hoe ingewikkeld zulke processen ook kunnen zijn. Ook dat hoort bij investeren.