Archeologie

In 1740 vergaan VOC-schip vol zilvergoed wordt deze zomer met spoed geborgen

Het VOC-schip de Rooswijk, dat bijna drie eeuwen geleden voor de kust van Engeland op de Noordzee verging, zal deze zomer verder worden opgegraven. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed maakte dinsdag bekend met een groot internationaal team het wrak verder te zullen onderzoeken. Het is voor het eerst dat een VOC-schip op deze schaal wetenschappelijk wordt onderzocht.

Het wrak wordt bedreigd door de stroming en de verschuiving van de zandlagen waarin het verankerd ligt, bleek uit een verkennend onderzoek vorig jaar. Ook zijn er regelmatig hobbyduikers die het schip bezoeken. De Nederlandse en Engelse ministeries van Cultuur besloten daarom dat er met spoed actie ondernomen moet worden: zo veel mogelijk historisch erfgoed moet uit het schip worden gered.

Van 1 juli tot 1 oktober gaat het team aan de slag, onder leiding van de Rijksdienst en in samenwerking met de Engelse tegenhanger Historic England. Er werken zo’n 50 mensen aan mee, onder wie studenten maritieme archeologie van de Universiteit Leiden. Volgens de Rijksdienst zal het project ongeveer twee miljoen euro gaan kosten.

De Rooswijk verging in 1740 met de volledige bemanning van 350 man bij Goodwin’s Sand, de zandbanken voor de kust van Kent. Het verlies was een grote tegenslag voor de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), die in de 17de en 18de eeuw het monopolie had op de handel met de Oost.

Toen het wrak in 2004 werd ontdekt, bleek er onder meer duizend kilo zilver en 36.000 zilveren munten in te zitten. De eerste veiling van 377 munten en 2 zilverstaven bracht tien jaar geleden in de Verenigde Staten ruim 178.000 euro op.

In totaal zijn er zo’n 250 Nederlandse VOC-schepen vergaan, waarvan slechts een dertigtal is gelokaliseerd. De inhoud van de Rooswijk zou verder inzicht moeten geven in de zeevaart in de achttiende eeuw.