Commentaar

Voor dit Turkije van Erdogan is geen plaats in de Europese Unie

De geschiedenis kent vele voorbeelden van autoritaire leiders die langs democratische weg aan de macht zijn gekomen. Er bestaat zelfs een woord voor: democide, democratische zelfmoord. Turkije kan na het referendum van zondag aan de lijst worden toegevoegd. President Erdogan heeft met een minieme en bovendien betwiste meerderheid steun gekregen voor de door hem voorgestelde wijziging van de Turkse grondwet die hem aanzienlijk meer bevoegdheden zal geven. Onder het mom van slagvaardiger bestuur zet Erdogan een volgende stap op weg naar de absolute macht.

De rechtsstaat in Turkije is de afgelopen jaren onder zijn leiding in hoog tempo verslechterd. Dat is zeker het geval sinds vorig jaar juli na de mislukte coup de noodtoestand werd afgekondigd. Maar ook voor die tijd was Erdogan al bezig met het aantasten van fundamentele vrijheden. De wijziging van de grondwet, onderdeel van een al langer bestaande wens van Erdogan om zijn greep op de Turkse staat verder te vergroten, is een nieuwe tegenslag voor alle democratische krachten in en buiten Turkije.

Het enige hoopvolle teken van de uitkomst van het referendum is dat de steun voor Erdogan niet vanzelfsprekend is. Hoewel er volgens de internationale waarnemers van de OVSE geen sprake was van campagne met gelijke kansen voor iedereen en ondanks intimidatie van tegenstanders, kreeg Erdogan slechts 51 procent van de stemmen. Het moet Erdogan te denken geven dat in de grote steden en de economische centra van het land een meerderheid ‘nee’ stemde. Vergeleken met de verkiezingen in 2015 is de steun voor de president en zijn AK-partij afgebrokkeld.

Of de ‘overwinningsnederlaag’ tot enige bescheidenheid bij Erdogan leidt zal moeten blijken. Hij heeft zich ontwikkeld tot een autocratisch leider die zich weinig gelegen laat liggen aan minderheden. In zijn eerste reactie op de uitslag, zondagavond, stelde Erdogan zich nog enigszins coöperatief op, maar toen hij kort daarop zijn aanhang vanaf een balkon toesprak, beloofde hij wederom de zwaar omstreden doodstraf in te voeren. Met die boodschap keert hij zich rechtstreeks tegen de Europese Unie, de gemeenschap waarvan Turkije nog altijd kandidaat-lid is. Binnen de Europese Unie waren de aarzelingen over het Turkse lidmaatschap van de Europese Unie al groot. De in 2005 formeel begonnen toetredingsonderhandelingen liggen nagenoeg stil. Zeker de afgelopen maanden is de verwijdering tussen Turkije en de Unie alleen maar toegenomen. Wat de landen nu vooral bindt, is de vluchtelingenovereenkomst van een jaar geleden. Geen akkoord uit overtuiging, maar uit bittere noodzaak, waarbij president Ergodan meent de zaak naar zijn hand te kunnen zetten door telkens opnieuw te dreigen met het openen van de grenzen naar Europa waardoor de vluchtelingenstroom weer op gang komt.

Maar Erdogan is op zijn beurt afhankelijk van Europa. De welvaartstoename als gevolg van de forse economische groei waaraan Erdogan zijn populariteit heeft te danken, is voor een belangrijk deel terug te voeren op het in 2004 ontstane perspectief op het EU-lidmaatschap. Dat heeft gezorgd voor een forse toename van de investeringen en een groeiende middenklasse. Daarvan is Erdogan voor zijn politieke voortbestaan op lange termijn afhankelijk.

De reacties uit Europa op de uitslag van het referendum beperken zich vooralsnog tot het „kritisch volgen van de ontwikkelingen” in Turkije. Woorden die de afgelopen jaren steeds werden gebezigd. Het is nu tijd voor een krachtiger stellingname. Voor dit Turkije is geen plaats in de Europese Unie.