Marshal met bange ogen

Amerikaanse presidenten spiegelen zich graag aan de klassieke western High Noon. De film werd tijdens het draaien getroffen door de anti-communistische heksenjacht in Hollywood.

Gary Cooper als marshal Will Kane: moederziel alleen tegen een bende outlaws in High Noon. Foto Getty Images

Diepe achterdocht tegen de elite, vrees dat de Russen achter de schermen aan de touwtjes trekken, inlichtingendiensten die zich direct bemoeien met de politiek, woeste publicaties van allerhande groeperingen die in elke minderheid een staatsvijand zien – er zijn de nodige parallellen te trekken tussen de Verenigde Staten vandaag en tijdens de zogeheten red scare van de jaren veertig en vijftig, toen de angst voor communisme hysterische proporties aannam.

Schrijver Glenn Frankel legt een aantal parallellen bloot in zijn voortreffelijke boek High Noon. The Hollywood Blacklist and the Making of an American Classic. Frankel beschrijft daarin het ontstaan van de klassieke western High Noon (1952) van regisseur Fred Zinneman, en hoe de productie van de film halverwege werd getroffen door de anti-communistische heksenjacht, die op dat moment woedde in Hollywood.

High Noon, met Gary Cooper als marshal Will Kane die moederziel alleen moet optrekken tegen een bende outlaws terwijl de inwoners van zijn stadje liever de andere kant opkijken, is de film die het meest is vertoond in het Witte Huis. Van alle Amerikaanse presidenten was Bill Clinton waarschijnlijk de grootste bewonderaar van de film. Tijdens zijn presidentschap liet Clinton de film meer dan twintig keer vertonen. „High Noon heeft nu al meer dan vijftig jaar mijn leven begeleid en verrijkt”, zei hij tegen een interviewer. De film herinnert Clinton er naar eigen zeggen aan „dat moed niet het ontbreken van angst is, maar doorzettingsvermogen in de confrontatie met angst”.

Niet slecht voor een film die begon als een tussendoortje, gedraaid in zwart-wit voor een schamel budget van 800.000 dollar. Niemand zag het succes van de film aankomen – zeker producent Stanley Kramer niet, die aan het einde van een distributiedeal met studio United Artists nog één film moest afleveren, maar eigenlijk al druk was met allerlei andere zaken. Tijdens de opnamen beklaagde Kramer zich erover dat Gary Cooper, die een Oscar zou krijgen voor zijn rol, zo weinig dééd in zijn scènes („Cooper kan deze rol spelen in zijn slaap. Vaak heb ik het gevoel dat hij dat ook doet”).

Frankel heeft in zijn boek juist zijn meeste warme woorden over voor Cooper: zonder hem zou de film niet zoveel indruk maken. Daarbij speelde de bagage van zijn lange verleden als Hollywoodster een grote rol. Cooper was decennia lang dé cowboyheld van Hollywood geweest: zijn eerste grote hit was The Virginian (1929), een van eerste westerns met geluid. Toen Cooper High Noon maakte was hij pas vijftig, maar hij zag er aanzienlijk ouder uit. Cooper, die tijdens de opnamen worstelde met een hernia, was niet meer de zelfverzekerde Amerikaanse held die de wereld moeiteloos aankan, maar een oudere, onzekere man, vol angst en twijfel, die niettemin een moreel juiste keuze maakt en een heroïsche daad stelt.

High Noon gaat niet alleen over de strijd tussen goed en kwaad, schrijft Frankel, maar ook over het conflict tussen lafhartigheid en moed: tussen de politieman en de wegkijkende burgerij, maar ook in Kane zelf. Cooper speelt hem met bange ogen – niet als showbink of onverwoestbare held.

Het verhaal van High Noon voltrekt zich in de 85 minuten die film duurt, in real time. De wegtikkende klok is een klassiek middel om de spanning te verhogen, maar is zelden zo structureel en direct gebruikt als in High Noon. Alfred Hitchcock had zo’n experiment met real time kort daarvoor uitgeprobeerd in Rope (1948), maar daar was dat vooral storend geweest en veel minder effectief.

Rode lap op een stier

Real time is niet de enige innovatie die High Noon bijzonder maakt. Wat de makers vooral voor ogen stond was een zo realistisch mogelijke film: zonder imposant voorbij dravende runderen en pittoreske landschappen; een film over echte mensen, hun reële dilemma’s en morele tekortkomingen.

Om zo’n stevige dosis realisme toe te voegen aan uitgerekend de western – het mythische filmgenre van de VS bij uitstek – werkte als een rode lap op een stier bij vurige patriotten zoals John Wayne: die andere archetypische cowboy van de Amerikaanse cinema. Alleen on-Amerikaanse communisten konden kritiek spuien op de onstaansmythe van de VS.

Wayne wond zich zo op over het vermeende anti-amerikanisme van de film, dat hij met regisseur Howard Hawks een soort ‘tegenfilm’ maakte: over een sheriff die zonder al die hinderlijke angst en twijfel de boeven te lijf gaat: Rio Bravo (1959), eveneens een grote hit.

Cooper was net als Wayne een overtuigd Republikein. Maar anders dan Wayne was Cooper – zelfs in die ideologisch opgefokte tijd – geen scherpslijper. Frankel omschrijft hem treffend als „kroonprins van ambiguïteit”.

Halverwege de draaiperiode werd High Noon midscheeps getroffen door de communistenjacht van het House Commitee of Unamerican Activities (HUAC). Carl Foreman, scenarioschrijver, coproducent en eigenlijk de drijvende kracht achter High Noon, was enkele jaren lid geweest van de Amerikaanse communistische partij. Hij werd opgeroepen door de commissie van het Amerikaanse Congres die onderzoek deed naar staatsgevaarlijke elementen, maar weigerde om namen te noemen van andere communisten.

Dat had tot gevolg dat hij per direct op de beruchte ‘blacklist’ van de studio’s belandde en nergens meer aan de bak kwam. Op het moment dat het erop aankwam liet zijn producent en zakenpartner Stanley Kramer hem vallen. Veel keus had Kramer niet: zijn bedrijf was anders meegesleept in Foremans val. Maar tussen de twee mannen kwam het nooit meer goed. Foreman kreeg nog net de kans de opnamen van High Noon te voltooien, maar moest daarna uitwijken naar Engeland.

Door die gebeurtenissen kwam zijn eigen film in een ander daglicht te staan. Plotseling, schreef Foreman, leek High Noon, hoewel hij dat nooit zo had bedoeld, over hem zelf te gaan. De marshal, dat was Foreman. De boeven die het stadje bedreigden, waren de leden van HUAC. De brave burgers – van de zakenman tot de dominee en de rechter – die de andere kant opkeken en hem lieten vallen als een baksteen, waren de filmindustrie.

High Noon is een film over individuele heldenmoed tegen de klippen op, waar Amerikaanse presidenten, Bill Clinton voorop, zich graag aan spiegelen. Maar High Noon, en het verhaal erachter, laat nog iets anders zien. Echte helden en echte boeven zijn meestal schaars, terwijl de omstanders met velen zijn. De helden en de boeven zetten het verhaal misschien in beweging, maar het zijn de omstanders die de afloop van het verhaal bepalen. Die moraal van High Noon blijft altijd actueel.

Glenn Frankel. High Noon. The Hollywood Blacklist and the Making of an American Classic. Bloomsbury, 377 blz. 29,95 euro