Lading VOC-schip De Rooswijk wordt verder opgegraven

Het is voor het eerst dat een VOC-schip op deze schaal wetenschappelijk wordt onderzocht. De Rooswijk werd in 2004 gevonden met duizend kilo zilver en 36.000 zilveren munten.

Een onderwaterfoto van een deel van het geschut van De Rooswijk. Foto Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Het VOC-schip de Rooswijk, dat bijna drie eeuwen geleden voor de kust van Engeland op de Noordzee verging, zal deze zomer verder worden opgegraven. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed maakte dinsdag bekend met een groot internationaal team het wrak verder te zullen onderzoeken. Het is voor het eerst dat een VOC-schip op deze schaal wetenschappelijk wordt onderzocht.

Het wrak wordt bedreigd door de stroming en de verschuiving van de zandlagen waarin het verankerd ligt, zo bleek uit een verkennend onderzoek vorig jaar. Ook zijn er regelmatig hobbyduikers die het schip bezoeken. De Nederlandse en Engelse ministeries van Cultuur besloten daarom dat er met spoed actie ondernomen moet worden: zo veel mogelijk historisch erfgoed moet uit het schip worden gered.

Van 1 juli tot 1 oktober gaat het team aan de slag, onder leiding van de Rijksdienst en in samenwerking met de Engelse wederhelft Historic England. Er werken zo’n 50 mensen aan mee, onder wie studenten van verschillende universiteiten. Spullen aan boord van de Rooswijk zullen zo veel mogelijk worden veilig gesteld. Volgens de Rijksdienst zal het project ongeveer twee miljoen euro gaan kosten.

De Rooswijk verging in 1740 met de volledige bemanning van 350 man bij Goodwin’s Sand, de zandbanken voor de kust van Kent. Het verlies was een grote tegenslag voor de VOC (Vereenigde Oostindische Compagnie), die in de zeventiende en achttiende eeuw het monopolie had op de handel met de Oost.

Toen het wrak uiteindelijk in 2004 werd ontdekt, bleek er onder meer duizend kilo zilver en 36.000 zilveren munten in zitten. De eerste veiling van 377 munten en 2 zilverstaven bracht tien jaar geleden in de Verenigde Staten ruim 178.000 euro op.

Demissionair minister Jet Bussemaker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, PvdA) heeft nu besloten geld vrij te maken voor het onderzoek. Zij noemt het VOC-schip “een unieke tastbare en objectieve bron [van] informatie”. In totaal zijn er zo’n 250 Nederlandse VOC-schepen vergaan, waarvan slechts een dertigtal is gelokaliseerd. De inhoud van de Rooswijk zou verder inzicht moeten geven in de zeevaart in de 18de eeuw.

Commerciële berger

Met het besluit om de Rooswijk verder op te graven en te onderzoeken komt een jarenlange discussie over het wrak ten einde. Nadat het schip gevonden was, bleef het enige tijd onduidelijk wie het zou moeten bergen. In eerste instantie werd dit gedaan door een Britse commerciële berger, die een contract had gesloten met het Nederlandse ministerie van Financiën. Zo’n driekwart van het zilver werd door de berger geveild. Het overgebleven zilver werd samen met andere archeologische vondsten aan Nederland overgedragen.

Dit leidde tot commotie onder Nederlandse archeologen, omdat deze aanpak in strijd zou zijn met de officiële afspraken tussen OCW, Financiën en Buitenlandse Zaken. Toenmalig minister Zalm zou op de stoel van de staatssecretaris van Cultuur zijn gaan zitten en de opgraving door de Britse berger erdoor gedrukt hebben, omdat de vindplaats en dus ook de lading van munten en zilverstaven bedreigd zouden worden. De opgraving werd vervolgens stil gezet, totdat duidelijk zou worden wie de verantwoordelijkheid en de kosten van de berging op zich zou nemen.

Eind 2007 concludeerden Britse maritiem archeologen na onderzoek voor English Heritage, de Britse monumentendienst, dat de vondsten in goede staat waren, maar dat het schip in tweeën was gebroken en er door de sterke zeestroming voor de kust van Kent weinig meer in verband was te zien. English Heritage besloot vervolgens De Rooswijk op de Britse top 10 van meest bedreigde Scheepsmonumenten te plaatsen.