Recensie

Een bootje vol dikke, rossige barbaren

Frans Hals Museum in Haarlem vangt in expo ‘Barbaren en wijsgeren’ de Chinees-Nederlandse betrekkingen in de zeventiende eeuw in beelden en objecten

Bijzondere Collecties, Universiteit van Amsterdam

De oorspronkelijk uit China afkomstige sinaasappel werd in de zeventiende eeuw wel ‘appel sina’ genoemd. Net zo kende men destijds een ‘wortel sina’. Op grond van de Chinese naam ‘ginseng’ (het karakter ‘gin’ verwijst naar ‘man’) werd in Europa aangenomen dat de wortel op een mens leek. De catalogus van de expositie Barbaren en wijsgeren in het Frans Hals Museum vermeldt dat er daarom prenten bestaan waarin ‘je deze wortel als een mannetje door het landschap ziet lopen’.

Eigenlijk is het jammer dat de tentoonstelling geen van dergelijke bizarre voorstellingen bevat. Dat ze bestaan, neem je echter direct aan. De manifestaties van uitwisseling over en weer tussen China en de Nederlanden in de Gouden Eeuw blijken voor een belangrijk deel bepaald door nieuwsgierigheid en bewondering, maar ook door vooroordeel en, zoals bij de wandelende wortels, misverstand.

De eerste contacten tussen Chinese en Hollandse handelaars, missionarissen en wetenschappers kwamen begin zeventiende eeuw tot stand. Zo troffen reizigers naar het oosten in Batavia op Java een grote Chinese gemeenschap aan, en koloniseerde de VOC in 1624 Formosa (Taiwan). De eerste handelsmissie naar het tot dan toe gesloten China zelf dateert uit de jaren 1650. Andersom zijn er al sinds 1600 Chinezen in Nederland gedocumenteerd.

Met vier zalen is de expositie te klein om de verschillende aspecten van de Chinees-Nederlandse betrekkingen in de zeventiende eeuw uitputtend te behandelen. Maar als kennismaking met het onderwerp valt er veel te genieten. Voorwerpen van geëxporteerd Chinees porselein zijn natuurlijk vertegenwoordigd, en van de imitaties daarvan in ‘Delfts blauw’ aardewerk en wandtegels. Prenten en tekeningen, gemaakt door Nederlandse kunstenaars tijdens verblijven in Azië, of op grond van niet altijd even accurate beschrijvingen, geven een kleurrijk beeld van landschappen en gebouwen, mensen en dieren, gebruiken en rituelen van China.

Verrassender zijn de beelden van de andere kant. Zo is er een klein, omstreeks 1700 door een Chinese kunstenaar uit ivoor gesneden bootje met daarin drie Hollanders. Met zwarte pakken om hun dikke lijven en grote hoeden op hun weelderige krullen vertegenwoordigen zij het beeld dat in China van deze ‘roodharige barbaren’ bestond. Maar hun handelswaar, wapens en telescopen waren er geliefd, en zelfs zagen jezuïetenzendelingen kans er de Christelijke boodschap te verspreiden.

Daarvan getuigen onder meer een paar onderhoudende houtsneden die Chinese kunstenaars hebben gemaakt naar gravures van de Vlaamse Antoon II Wierix. Zo’n prent is in de handen van een zo te zien niet al te oorspronkelijk Chinees talent, al gauw niet meer de ‘precieze kopie’ waarvan het bijschrift rept. Christus die met zijn apostelen aanzit aan het Laatste Avondmaal heeft er onmiskenbaar Aziatische trekken in gekregen.