Column

Afwezigheid

‘Wat doe je vanavond?”, vraagt mijn zus aan de telefoon en vervolgt zonder mijn antwoord af te wachten met: „Laten we naar de kerk gaan.” Ik kom uit een familie waar op mij en mijn zus na, niemand nog in God gelooft. Goed, doorgaans zijn ook wij overtuigd agnost, maar er zijn momenten waarop een van ons opeens een honger naar religie krijgt, zoals je plots kunt verlangen naar een liedje dat je eens grijs draaide.

Terwijl de wierook zich als traag stuifzand door de kerk verspreidt, pakt mijn zus mijn hand vast. „Ik heb afgelopen week het werk van Simone Weil gelezen, die Franse filosoof waar oma zo dol op was”, fluistert ze. Ik knik maar om haar te laten doorvertellen.

„Weil schreef dat God, omdat Hij volmaakt is, niet kon bestaan in zo’n imperfecte wereld als de onze. Dan zou de boel ontploffen ofzo. Dus nadat Hij de boel geschapen had, maakte Hij zich uit de voeten. En daardoor is onze onvolmaakte wereld het levende bewijs dat er zoiets perfects als God bestaat. God openbaart zich dus door Zijn afwezigheid.”

„Je bedoelt dat God en de mens langs elkaar heenleven? Zoals bij een latrelatie?”, probeer ik.

„Ja, precies”, giechelt mijn zus.

„Waarom zitten we dan nu in een kerk? Als het God toch niets uitmaakt?”

„Omdat ik toch altijd door diensten het gevoel krijg dat Hij wél aanwezig is. Dat wij mensen Hem, ook al is Hij niet hier, met zijn allen even leven inblazen, net zoals Hij dat eens deed met Adam. En dat we dus door God te aanbidden, God scheppen.”

„Dus”, lach ik, „door God te aanbidden worden we God?”

„Misschien”, zegt ze, „ook al is het maar in theorie, ook al is het maar voor even.”

We staren naar het altaar waarop een boeket verwelkte bloemen staat. Ik ben een beetje duizelig, weet niet wat ik van al dit gefilosofeer moet vinden. Dan bedenk ik me dat het niet gaat om vinden. Mijn gepeins gaat op in de dienst, een ouder deel van mij slaat aan als de priester psalm 22 voorleest: „Heer, houd U niet ver van mij.” Ik kijk omhoog. De steunberen van de kerk zijn bedekt met kleine gobelins van spinrag. Ik houd mijn zus’ hand handig steviger vast, voel de beperkte hartslag in onze beperkte vingers.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.