Het Westen moet zich afvragen wat het met het nieuwe Turkije wil

Referendum Turkije De uitslag van het referendum in Turkije zet de internationale relaties met het land onder druk. Kiezen Europa en de NAVO voor een pragmatische koers met het strategisch gelegen land, of gaat Erdogan deze keer echt te ver en is een verandering van de relatie noodzakelijk?

De Yavuz Sultan Selim-brug in aanbouw. De brug overspant de Bosporus, die het Europese en het Aziatische deel van Turkije scheidt. Foto Tolga Bozoglu/EPA

De Turkse president Recep Tayyip Erdogan zou eens gezegd hebben dat democratie vergelijkbaar is met een tram: als je er genoeg van hebt stap je bij de volgende halte uit. Zondagavond heeft Erdogan die halte bereikt.

De buitenlandse partners van Turkije staan daarom nu voor de vraag of ze nog wel een innige band kunnen ambiëren met een land waar de parlementaire democratie mogelijk jarenlang buiten spel wordt gezet. Moet de wijziging van de Turkse grondwet, die een Turkse president uitzonderlijk veel bevoegdheden geeft, bijvoorbeeld, gevolgen hebben voor de Europese Unie en de NAVO, twee clubs die democratie hoog in het vaandel hebben?

Of moet de strategische ligging van het land, de omvang van de economie en het feit dat veel Turken elders in Europa wonen, de doorslag geven in toekomstige betrekkingen? En laat de EU zich niet chanteren met de Turkse rol in het tegenhouden van vluchtelingen? Het Westen, kortom, moet zich afvragen wat het met het nieuwe Turkije wil.

Na de mislukte coup van afgelopen zomer werd de Turkse democratie al in een coma gebracht. Het referendum over presidentiële bevoegdheden brengt formalisering van een drastische machtsuitbreiding voor Erdogan nu binnen handbereik – het leeuwendeel van de amendementen wordt van kracht na de komende nationale verkiezingen, in principe in 2019.

Voor Europa is het nu wéér moelijker geworden de verschraling van de democratie door de vingers te zien in een land dat – in elk geval officieel – graag wil toetreden tot de Europese Unie en waarmee al jaren wordt onderhandeld. In die gesprekken is weliswaar nooit veel vooruitgang geboekt, maar geen van beide kanten wilde er toe nu definitief de stekker uit trekken.

Autoritair regime

Dát de grondwetswijzigingen niet stroken met democratische uitgangspunten is voor veel Europese politici onbetwist. Eind vorige maand kwam een staatsrecht-commissie van de Raad van Europa tot de conclusie dat „de amendementen een gevaarlijke stap terug zijn in de constitutionele democratische traditie van Turkije”. De commissie onderstreepte ook „het gevaar dat het nieuwe systeem zal ontaarden in een autoritair en persoonsgebonden regime”.

De Europese Commissie gaf zondagavond een korte, sobere verklaring uit waarin Turkije werd opgeroepen bij de invoering van de grondwetswijzigingen rekening te houden met de zorgen van de Raad van Europa. De verklaring leest niet als een felicitatie aan een bevriend staatshoofd.

De Turkije-rapporteur van het Europees Parlement, Kati Piri (PvdA), maakte zondagavond meteen duidelijk dat invoering van de grondwetswijzigingen het einde zou betekenen van toetredingsgesprekken. „Het is duidelijk dat het land geen lid kan worden van de EU met een grondwet die de scheiding der machten niet respecteert en waarbij alle checks and balances ontbreken. Blijven spreken over de integratie van Turkije in de EU, is onder de huidige omstandigheden een farce.”

Doodstraf

Erdogan vergrootte de kloof met de EU dit weekend nog verder door in zijn overwinningstoespraak weer te schermen met herinvoering van de doodstraf. In 2004 schafte Turkije de doodstraf af om onderhandelingen met de EU mogelijk te maken. Herinvoering ervan zou vrijwel automatisch het einde van de toetredingsgesprekken betekenen. Om de doodsstraf in te voeren is weer een Turks referendum nodig. Zo’n volksraadpleging zou dan meteen ook een stemming zijn over toetreding tot de EU.

Tegenstanders van Turkse toetreding pleiten er al jaren voor de onderhandelingen te staken en te koersen op een modernisering van de douane-unie. Zo blijft Turkije in elk geval economisch aan Europa gebonden, een verbintenis waar beide partijen baat bij hebben. Maar ook een uitgebreidere douane-unie zou langdurige onderhandelingen vergen, bij voorbeeld omdat er mechanismen voor conflictbeslechting ontwikkeld moet worden en Turkije de regels voor openbare aanbesteding zou moeten aanpassen. „De Turkse gevechten met Europa”, concludeerde David Gardner in dit verband dan ook in de Financial Times, „zijn nog lang niet voorbij”.

Ook voor de rol van Turkije in de NAVO kan de uitslag van het referendum gevolgen hebben. NAVO-landen hebben „de vaste wil….de beginselen van democratie, persoonlijke vrijheid en rechtsorde te beschermen”, aldus de preambule tot het Noord-Atlantisch Verdrag uit 1949. Het nieuwe Turkije van Erdogan schuurt dus in elk geval met de ideële geest van de NAVO. Maar nog belangrijker voor de defensiegemeenschap is de strategische bijdrage van Turkije.

De relatie tussen Turkije en de NAVO wordt al langer gekenmerkt door fricties. In de referendumcampagne heeft Erdogan NAVO-partners Duitsland en Nederland beschuldigd van „nazi-praktijken”, vorige zomer leek Erdogan NAVO-supermacht VS ervan te beschuldigen achter de mislukte coup te zitten. In Syrië opereert Turkije zelfstandig, los van de VS en vaak in samenspraak met NAVO-vijand Rusland. En het feit dat tientallen Turkse militairen en diplomaten na de couppoging asiel hebben aangevraagd in NAVO-landen, waaronder Nederland, helpt ook niet. Vooralsnog neemt de NAVO de wrijvingen met Turkije op de koop toe omdat niemand de strategisch gelegen partner wil missen.