Column

Een week achter The Great Firewall

Marc Hijink

Voor het eerst bevind ik me aan de andere kant The Great Firewall. Het is een vreemde gewaarwording: zodra de taxi bij Hong Kong de Chinese grens oversteekt, valt er niets meer te googlen en loopt de online agenda met een zucht leeg. Twitter zwijgt in alle talen, net als Facebook en Instagram. Alleen WhatsApp pruttelt wat door.

Dat is best rustig, voor een weekje. Lekker zen; ik realiseer me hoe ik mezelf heb laten omsingelen door Amerikaanse internetbedrijven.

Censuurmuur

Anders is het als je je hele leven achter de censuurmuur moet wonen die de Chinese overheid optrok. Het land staat op de 176ste plek van de World Press Freedom Index. The New York Times en The Wall Street Journal zijn geblokkeerd, net als Dropbox, YouTube en gedeeltes van Wikipedia. Online porno is verboden en zelfs Pokémons komen er niet in.

Facebookbaas Mark Zuckerberg spreekt vloeiend Chinees maar zijn netwerk blijft geblokkeerd. Als je medelijden zou moeten hebben met de Chinezen is het niet omdat ze Facebookloos door het leven gaan – er zijn Chinese alternatieven genoeg – maar dat hun online activiteiten continu geobserveerd worden. Sinds 2013 filtert de overheid nog intensiever dan voorheen op verdachte zoektermen en verwijdert berichten met een ongewenste politieke lading. Daar zit de werkelijke pijn voor Chinese internetgebruikers.

De buitenlandse censuurmuur is te omzeilen met een buitenlandse simkaart of via een beveiligde VPN-verbinding, die je webverkeer versleutelt en omleidt naar een computer in het buitenland. Puur technisch gezien is het indrukwekkend dat China het glibberige, ongrijpbare internet weet te beperken. Alsof je pudding tegen een muur spijkert, luidt de Amerikaanse uitdrukking. De filtertechnologie is zo geavanceerd dat China het naar Cuba en Zimbabwe exporteert, meldde Reporters zonder Grenzen.

Ook de westerse vrijheid van meningsuiting heeft grenzen

Een weekje achter The Great Firewall doet je beseffen dat er meer onder de zon is dan Google. De Chinezen gebruiken Baidu, WeChat en Weibo en ik heb nog nooit zoveel gebruikgemaakt van Bing als de afgelopen week. Dat komt omdat Microsofts zoekmachine zich wél wil conformeren aan de Chinese censuurregels. Ook Apple past zich aan, daarom werkt bijvoorbeeld Apple Maps hier wel en Google Maps niet.

Google en Facebook, de twee grootste advertentiebedrijven ter wereld, lopen een enorme advertentiemarkt mis: 1,4 miljard Chinezen, waarvan ruim de helft toegang tot internet heeft. Google en Facebook zien zichzelf als exponenten van de vrije wereld en het vrije woord – dat is niet te verenigen met de Chinese censuur.

Maar ook de westerse vrijheid van meningsuiting heeft grenzen. Webbedrijven draaien aan de knoppen van hun informatiestroom om geweld, porno en nepnieuws te weren. Google gaat de betrouwbaarheid van nieuwsberichten controleren met onafhankelijke factcheckers, YouTube belooft strenger te filteren op beledigende video’s, Facebook geeft gebruikers de optie twijfelachtige posts te rapporteren. Kunstmatige intelligentie moet de rest van de aanstootgevende berichten eruit filteren – computers die ons de maat nemen. Dat is een lastige, waarschijnlijk onmogelijke klus. De Chinezen weten het: alsof je pudding tegen een muur probeert te spijkeren.