Cultuur

Interview

Interview

Foto Bastiaan Heus

Altijd pijn aan het lichaam, door het turnen en tatoeëren

Turnen Rotterdammer Bart Deurloo (26) geldt op de komende EK in Cluj als favoriet op rek. Een bijzondere sportman, die dagelijks de pijn van topsport voelt. En geregeld de pijn van tatoeëren. Pijn die hij haat, maar lijdzaam ondergaat, voor de pracht van zijn lichaam.

Als Bart Deurloo de turnhal van O&O in Zwijndrecht binnenkomt, is de kantine bezet door bejaarde vrouwen voor een cursus bloemschikken. Thema: Pasen. De turner kijkt er niet van op. „Ach, dat gebeurt vaker”, zegt hij schouderophalend. Even later, in de bestuurskamer, is het gespreksonderwerp zijn getrainde lichaam, in het bijzonder zijn vele tattoos. De overeenkomst met Pasen: het lijden.

Want pijn doet het, turnen en tatoeëren. Zijn lichaam is in twintig jaar intensief trainen dusdanig getourmenteerd dat hij altijd pijn voelt, zegt Deurloo, de turner met de kwaliteiten om in de voetsporen van rekspecialist Epke Zonderland te treden. „Ik word soms wakker van de pijn. Er is altijd wel iets. De ene keer is het mijn rug, dat andere keer is mijn schouder overbelast. Topturnen is gewoon leed. Daarvoor moet je mentaal sterk zijn, niet toegeven aan de pijn. Als je dat doet, heb je overal pijn, dan zit het alleen maar in je hoofd. Die pijn maakt turnen ook zo zwaar. Het is niet alleen trainen, maar bij vlagen een mentale slachting. Het dubbele is dat ik het heerlijk vind als ik hard heb heb getraind. Dan denk ik altijd: hè, lekker. Dat maakt topsport zo ambivalent.”

Om dan in zijn vrije tijd ook nog eens vrijwillig op de pijnbank van een tatoeëerder te gaan liggen. „Want die pijn is verschrikkelijk. Ik haat het. Ja, ik onderga het toch, omdat het erbij hoort”, zegt Deurloo met samengeknepen ogen. Maar stoppen? Geen denken aan. „Als je me over dertig jaar tegenkomt en ik doe dan mijn trui uit, denk ik dat je nauwelijks witte plekken op mijn lichaam zult zien.”

Waarom? „Ja, waarom”, herhaalt Deurloo. „Omdat het kunst is en omdat ik het mooi vind. Mijn eerste tattoo nam ik op mijn zeventiende. Heb ik YOLO (you only live once) op mijn borstkas laten zetten. Had ik ergens gelezen en vond ik mooi. Alles uit het leven halen, want je leeft maar één keer, dat motto past bij mij.”

Skelet als vorm van gelijkheid

Bart Deurloo: „Als je me over dertig jaar tegenkomt en ik doe dan mijn trui uit, denk ik dat je nauwelijks witte plekken op mijn lichaam zult zien.”. Foto Bastiaan Heus

Bijna tien jaar verder is Deurloo’s lichaam grotendeels bedekt met kunstwerken van inkt, naast sleeves en metatrons ook doodshoofden en skeletten. De morbide zijde van die afbeeldingen is aan de turner niet besteed. Hij ziet het als een vorm van gelijkheid. Of je man of vrouw bent, blank of zwart, de dood maakt ieder gelijk. Een geraamte kent die verschillen niet. Zo heeft hij na de Spelen in Rio de Janeiro de olympische fakkel in de hand van een skelet laten tatoeëren. Vindt-ie cool, vet. Zijn zij markeert een vertakking met klavertjes vier waarin de initialen van zijn ouders en twee oudere broers zijn verwerkt. De olympische ringen na ‘Rio’ ontbreken ook niet, natuurlijk niet.

Dat al die afbeeldingen juryleden kunnen afschrikken, gelooft Deurloo niet. Voorheen misschien, maar tegenwoordig wordt ook in die kringen de tattoo geaccepteerd. Ja, hij kent de opvatting van Zonderland dat tattoos bij conservatieve juryleden tot aftrek kan leiden. „Ik geloof er niet in. Epke is er gewoon niet het type voor. Hij wil dokter worden. Zijn omgeving staat niet in het teken van tattoos.”

Qua uiterlijk is Deurloo een buitengewone turner, maar ook in zijn opvattingen. Begonnen als zesjarig knulletje in Ridderkerk – gestuurd door zijn moeder die had geturnd en gedanst – bleek hij geknipt voor die sport. Deurloo: „Omdat ik die bewegingen heel goed snap. ‘Je moet coach worden’, zegt mijn trainer vaak. Ik denk dat ik geen andere keus heb. Van turnen heb ik verstand. Ik verwacht dat ik later die kant op ga.”

Verslaafd is-ie, zegt Deurloo. Na één dag vakantie moet hij al weer bewegen. Zoekt Deurloo een sportschool op – „anders word ik helemaal gek.” Ja, natuurlijk zijn er ook wel eens twijfels. In z’n pubertijd was hij bij fasen helemaal klaar met turnen. Maar dat waren momenten waar Deurloo zich altijd doorheen sloeg. Die gevoelens heeft hij nog wel eens. Als het hem echt te veel wordt, meldt hij zich bij zijn mentale coach, Marco Hoogerland. Met een glimlach: „Vind ik chill. Er is niks fijner dan soms even zielig zijn.”

Zijn hoogtepunt als turner beleefde Deurloo vooralsnog op de Olympische Spelen in Rio de Janeiro. Hij werd vijftiende op de meerkamp, een prestatie van formaat. En een resultaat met perspectieven. Want na ‘Rio’ treedt een nieuwe olympiade, met een nieuwe code in, zijn er concurrenten gestopt en kan Deurloo zich verder ontwikkelen. Hij gaat zeker door tot en met de Spelen van Tokio in 2020, daarna ziet hij wel weer.

Foto Bastiaan Heus

Zo lang de turner zich verbetert ziet hij mooie sportieve vergezichten, bijvoorbeeld met een podiumplek als allrounder. „Ja, dat is haalbaar”, zegt Deurloo vol overtuiging. „Ik ben een laatbloeier. Ik moet alleen op ringen nog wat sterker worden en op brug een paar elementen toevoegen, maar dan zie ik niet in waarom ik geen podiumplaats kan bereiken. Het is ook een beetje geluk hebben en net die perfecte wedstrijd turnen. En meer uren maken. Hoe meer tijd je in de sport steekt, des te meer je ervoor terug krijgt. Ik sprak op de Olympische Spelen met baanwielrenster Elis Ligtlee. Toen ik vroeg naar haar kansen, zei ze: die heb ik, maar niet voor goud. En wat gebeurt er? Ze wint goud. Een bewijs dat de beste niet altijd hoeft te winnen.”

Deurloo heeft genoten van zijn eerste Spelen, waar hij van nabij ook de rel rond collega-turner Yuri van Gelder meemaakte. Medelijden had hij niet toen Van Gelder naar huis werd gestuurd. Deurloo en zijn teamgenoten Zonderland en Frank Rijken hebben hem daarop aangesproken. „Dat is toch normaal”, zegt Deurloo, „niet om hem ter verantwoording te roepen, maar omdat ik wilde weten wat er aan de hand was. Ik kon hem niks verwijten, want we hadden de wedstrijd al gehad. Yuri kan alleen zichzelf wat kwalijk nemen, omdat hij nog de ringenfinale moest turnen. Ik vind het heel erg dom wat hij gedaan heeft, maar het is niet mijn probleem. Hij zoekt het verder maar uit.”

Combinatie vier vluchtelementen

De turntoekomst is onder anderen aan Deurloo, die deze week bij de EK in het Roemeense Cluj in staat is zijn eerste grote titel te winnen. Op rek, het toestel waarop hij bij absentie van velen de topfavoriet is. Eveneens zijn favoriete toestel, dat hem op de Spelen van 2020 in Tokio mogelijk succes moet opleveren. Deurloo hoopt tegen die tijd een rekoefening met misschien wel een combinatie van vier vluchtelementen te beheersen. Sinds de invoering van de nieuwe code zijn vijf vluchtelementen toegestaan, maar Deurloo denkt niet dat die achter elkaar uitgevoerd kunnen worden. „Dat zou sensationeel zijn. Als je dan valt bij de afsprong win je nog. Maar vier moet haalbaar zijn. Daar werk ik naar toe.”

Winnen, Deurloo wil het graag, maar hij ontleent er niet zijn bestaansrecht als turner aan. Hij stapt snel over teleurstellingen heen. Nee, hij denkt niet in termen van een beloning voor hard trainen. Ad rem: „Een hond geeft zichzelf toch ook geen snoepjes? Een overwinning moet je verdienen. Als ik een fout maak is dat mijn schuld. En geloof me: foutloos turnen bestaat niet.”