Wordt de boef beschermd en de boevenvanger niet?

Krijgen alleen boeven bescherming in de krant? Stel, je bent als rechercheur bezig met een gevoelig dossier en dan sta je opeens met je hele naam in de krant, tussen een rij criminelen die schuilgaan achter een initiaal: Mustafa B., Gerrit G., René F. en ene ‘Paul’.

Mooie boel – waarom moet zijn naam daar zo nodig bij?

Het gebeurde een rechercheur die zijn naam zag opduiken in een stuk van misdaadverslaggever Jan Meeus over politie-informant Mustafa B., die een rol speelde in onderzoek naar corruptie in de Rotterdamse haven. B. legde contact met de politie en kreeg toen deze rechercheur aan de lijn (De glibberige tips van Mustafa B., 18 februari).

Bedoeling van het stuk was duidelijk te maken wat het belang is van informatie uit de onderwereld bij de strijd tegen de georganiseerde misdaad. Het gaf inzicht in de loopbaan van Mustafa B, „informatiemakelaar” en zelf verdacht van betrokkenheid bij drugshandel.

Maar de rechercheur, met wie Meeus geen contact had gehad, klaagde bij de krant dat zijn naam ongevraagd was genoemd in het stuk. Hij had er geen „onprettig of onveilig gevoel bij”, maar vond het „storend” dat het niet met hem was overlegd. Na beraad tussen Meeus en de hoofdredactie werd besloten zijn achternaam te verwijderen uit de online versie van het stuk.

Waarom? En wat zijn hier de regels?

Allereerst dit: journalistiek moet het hebben van concrete informatie, en daar hoort het noemen van namen bij. Niet voor niets is de eerste van de vijf journalistieke W’s de vraag ‘wie’? (de andere: wat, waar, wanneer en waarom – en de ‘h’ van hoe). Het hangt samen met de controleerbaarheid van een artikel, met het afleggen van verantwoording en, ook niet onbelangrijk, met de leesbaarheid van een stuk.

Maar zoiets is, zoals meer in de journalistiek, altijd een afweging en geen dogma; een verslaggever kan allerlei argumenten hebben om een naam niet te noemen: bronbescherming, maar ook een afweging van belangen of de relevantie van een naam.

In dit geval: Meeus nam de naam op, omdat „volledigheid altijd beter is”. Hij legde zijn stuk voorafgaand aan publicatie niet voor aan de Rotterdamse politie, maar wel aan justitie.

Wat waren de bezwaren van de rechercheur, al met al drie keer terloops in het paginavullende stuk genoemd?

Tegenover mij noemde hij een reeks argumenten. Het stuk gaat niet over hem, dus wat doet zijn naam ertoe? Maar belangrijker: niet iedereen in zijn omgeving – buren, kennissen – weet wat voor gevoelig werk hij doet en nu ligt dat op straat. Een wijkagent kan daar belang bij hebben, maar voor hem geldt dat niet. En: hij voelde zich weliswaar niet bedreigd, maar je weet nooit. In de bajes lezen ze zulke stukken óók.

Bovendien, vindt hij: toch een tikje bizar dat de achternaam van criminelen wordt afgekort. Dus boeven hebben meer recht op bescherming dan een rechercheur die ze probeert te vangen?

Wat dat laatste betreft: dat is de consequentie van de vuistregel van veel media om verdachten een initiaal te geven. Het argument: verdachten vinden de staatsmacht tegenover zich – politie en justitie – met alle mogelijke gevolgen (boete, gevangenisstraf). Media hoeven daar niet een schepje bovenop te doen door een verdachte (en zijn omgeving) aan de schandpaal te nagelen.

Op die ‘bescherming’ van verdachten zijn overigens tal van uitzonderingen mogelijk: een verdachte die al landelijk bekend was, of die zelf breeduit de publiciteit zoekt en interviews geeft, kan gewoon met zijn hele naam in de media komen: zie Willem Holleeder.

Het spiegelbeeld: de politie, per slot van rekening een gewapende macht die burgers kan oppakken, dient in het openbaar verantwoording af te leggen; daar kunnen namen bij horen.

Maar ook dat is geen dogma en elke zaak moet op zijn merites worden beoordeeld. In dit geval vind ik deze punten relevant: de naam van de rechercheur komt niet uit een openbare rechtszitting maar uit een gesloten dossier dat de journalist in handen kreeg; de man speelt in het verhaal geen grote rol en is ook niet geraadpleegd.

Het belang van zijn anonimiteit legt dan net meer gewicht in de schaal dan dat van een prettig leesbaar stuk.

Maar: zoiets blijft een eigen afweging van de journalist of van de krant, er is geen toestemming vereist. De ambachtelijke les, zegt Meeus, is vooral dat hij beter tevoren ook contact met de rechercheur had kunnen opnemen.

Het besluit de naam uit het stuk te schrappen is daarom te verdedigen, maar vestigt tegelijk de aandacht op een breder, eigentijds verschijnsel: de sterke mate waarin mensen hechten aan hun ‘privacy’, of de regie daarover. Jezelf promoten op Facebook is één ding, maar in de media komen is iets heel anders. Het wordt versterkt door de anonieme online reageerderscultuur.

Onbegrijpelijk is het niet, want wat is er nog onschuldig nu alles op internet eeuwig bewaard blijft? Toch minder leuk tijdens een sollicitatiegesprek, die reportage van tien jaar terug over je verslaving aan gewelddadige computerspelletjes. Voor personen met gevoelige beroepen ligt dat dan nog wat scherper.

Dat kan in uitzonderlijke gevallen een argument zijn om een naam weg te laten. Maar het blijft een kwestie van waakzaamheid: voor je het weet lekken namen weg uit de meest onschuldige stukken – en aan journalistiek zonder ‘wie’ heeft niemand iets. De krant moet dan ook uiterst spaarzaam blijven met het inwilligen van zulke verzoeken.

Ruig alternatief: zet verdachten ook gewoon standaard met hun achternaam in de krant, dan ben je van de initialen-ongelijkheid af. Zou het? Nee, want ook hun namen zijn lang niet altijd relevant – het blijft een afweging.

Mijn naam vindt u hierboven – met alle risico’s vandien.

Reacties: ombudsman @nrc.nl