Vergeving heeft een gewoon gezicht

Voor vergeving heb je geen god nodig, schrijft . Gewone mensen kunnen bewerkstelligen wat met Pasen gevierd wordt: dat het mogelijk is om opnieuw te beginnen.

Foto Christian Bruna/ EPA

We weten allemaal hoe hij eruit zag, dat wil zeggen: we kunnen hem op afbeeldingen direct herkennen. Hij heeft een lang ovaal gezicht, met een eveneens lange smalle neus, zijn lange haar is in het midden gescheiden, zijn voorhoofd is hoog, zijn mond gewelfd en zijn uitdrukking, als hij niet tijdens zijn marteling is afgebeeld, is sereen. Hij draagt een korte, beetje doorzichtige en puntige baard. Zijn blik is open maar ongericht.

We weten dat dit gezicht geen speciale band heeft met de realiteit. Maar toen de BBC aan het begin van deze eeuw een gezicht de wereld in stuurde dat volgens experts veel aannemelijker was – rond, donker, kort krullerig haar, een brede neus – was de verontwaardiging groot. In zekere zin terecht, want al hadden die experts dan een schedel van een man van Jezus’ leeftijd en uit zijn tijd gebruikt, het is toch volstrekt lukraak.

In de Gemäldegalerie in Berlijn, waar ik vorige week was, hebben ze ook zoiets gedaan, een gewoon joods gezicht geassocieerd met Jezus. Er hangt een klein schilderijtje van Rembrandt, ‘Portret van een Joodse jongeman’. Kort haar, woeste baard, beetje moeilijk, ongepolijst gezicht. En daaronder heeft men zijn Christuskop gehangen: de lange neus, de zachtaardige uitdrukking, een indruk van schoonheid. De Joodse jongeman uit het volk is een ontheven dromer geworden.

Rembrandt: ‘Hoofd van Christus’
‘Hoofd van Christus’
Rembrandt: ‘Portret van een joodse jongeman’
‘Portret van een joodse jongeman’

Goden hebben geen gezichten. Ze hebben een gestalte, eventueel inclusief gezicht, maar dat gezicht heeft niets persoonlijks. Het kijkt langs ons heen naar de eeuwigheid, het staat buiten de tijd en heeft een onaardse uitdrukking die je schoonheid zou kunnen noemen. Soms baardige kracht en een zekere, hoe merkwaardig ook, ouderdom, die wijsheid moet uitstralen, bijvoorbeeld bij Zeus of God de vader. Egyptische goden hebben vaak niet eens een gezicht en dat is wel zo eenvoudig. Gewoon de kop van een ibis, een jakhals, een aap. Goden kijken misschien naar ons, maar ze kijken ons nooit aan. We lezen niets af van hun gezichten.

Ik kijk naar al die schilderijen met het gezicht van hem die de gezalfde en de verlosser wordt genoemd, die volledig god en volledig mens moest zijn en die zo gruwelijk vaak wordt afgebeeld tijdens zijn doodstrijd. Ogen geloken, mond half open. Handen soms verkrampt, vaker lijkt hij gelaten en in zichzelf gekeerd ondanks de verscheurende pijnen die hij moet lijden.

Wat is dat toch in het westerse Christendom dat zo enorm de nadruk gelegd wordt op die afschuwelijke dood? De martelgang is zó vaak afgebeeld dat we een kruis niet eens meer als een verschrikking zien, zelfs niet als de godmens eraan hangt, maar gewoon, als iets christelijks.

We kunnen de aanblik zonder enige moeite verdragen. Soms, als een schilder eens een ander moment heeft gekozen om af te beelden, dringt weer tot je door waar je eigenlijk naar kijkt: een angstige man die door grijnzende types van zijn kleren ontdaan wordt, eentje slaat hem, terwijl zijn lichaam al vol wonden zit. Mannen die lachend de doornige takken om iemands hoofd aandraaien, zodat de stekels diep in de huid dringen.

Maar eigenlijk dringt de ware betekenis pas weer tot je door als IS ons laat zien wat voor wreeds zich daar afspeelt, door het na te doen. Het is een ellendige marteling, en een uiterst vernederende straf. Als zij het doen heeft het niets verhevens meer. De christelijke traditie heeft het omgedacht tot iets hoogs. Het is laag.

In de oosterse kerken zie je nooit een Christus aan het kruis. Daar wordt in de koepel van de kerk de ‘pantokrator’ afgebeeld, de Almachtige. Een god.

Bij ‘ons’, hier in het westen, ligt meer nadruk op zijn menselijke kant, maar tegelijkertijd beelden we hem af als een bovenmenselijk wezen dat je nooit eens aankijkt.

De Argentijnse dichter Jorge Luis Borges schreef het gedicht ‘Christus aan het kruis’. Borges maakt weer een mens van hem, een die past in zijn tijd. De schilderijen, met altijd dat ene hogere kruis in het midden, schuift hij terzijde. „De voeten raken de grond./ De drie houten zijn van gelijke hoogte./ Christus is niet in het midden. Hij is de derde./ De zwarte baard hangt over de borst./ Het gezicht is niet het gezicht van de afbeeldingen./ Het is ruw en joods. Ik zie het niet/ maar ik zal het blijven zoeken (…)”

Zo kan het geweest zijn. Een gezicht dat je je niet kunt voorstellen, van een man die verschrikkelijk lijdt. Zoals de mannen naast hem. Zoals dat vaker vertoond werd. En wordt.

Maar in de Gemäldegalerie kun je het allemaal best verdragen. Op een of andere manier intensiveert de kunst hier de beleving nauwelijks, de angst ontbreekt, de pijn, het menselijke. Dat gezicht is zo vergoddelijkt dat je er niets meer van verwacht.

En dan al die onwetende Maria’s met hun stralende kindjes, die met een mollig handje naar de moederborst tasten. Soms is dat kindje wel een echt jongetje en Maria een echte moeder. Maar ze is meer dan dat ook, Maria heeft niet zomaar een kind gekregen. Ze heeft een belofte gebaard, hoop.

Zoals alle moeders.

Yuval Noah Harari schrijft in zijn Homo Deus dat het christendom merkwaardigerwijs heeft gezegevierd, hoewel onze ervaring moeilijk te rijmen is met dat er één goddelijke instantie zou zijn die het beste voor heeft met iedereen, of dat wij ergens van verlost zijn doordat er ooit een man gekruisigd is. Het lijkt voor de hand liggender om te veronderstellen dat het grillige lot bestuurd wordt door grillige en plaatselijke goden. Toch staan overal kerken, en niet meer de tempels van Germaanse, Romeinse, Griekse, Noorse goden. Blijkbaar gaat het bij geloof niet alleen om de beste beschrijving van hoe het er in de wereld toegaat. Het gaat om hoop. De hoop dat het níet is zoals het lijkt.

In de heel hoge en stralend vergulde Berliner Dom zijn achter het altaar drie enorme gebrandschilderde ramen aangebracht. Links Maria met haar kind. In het midden de gruwelijke marteling van datzelfde kind, nu als volwassen man. Rechts de zegevierend naar de hemel opstijgende god. Die drie beelden zijn de allerkortste samenvatting van het christendom. En ze willen dat denkelijk ook zijn van het menselijk leven: er is de blijde geboorte, er is de gruwelijke dood.

Aan de voeten van de gekruisigde is Maria in zwijm gevallen, en geen wonder. Welke moeder zou kunnen toekijken terwijl haar zoon zo onmenselijk gepijnigd wordt? Daarnet zat ze nog vol verwachting naar haar baby te lachen, nu is hem dit overkomen. Het lot kan zich dramatisch tegen iemand keren. En dan rechts die laatste, allesoverstijgende, maar moeilijk te bevatten hoop: dat er toch nog iets troostrijks zal gebeuren, voorbij het leven.

Zoiets zou je nooit en nooit durven zeggen tegen die moeder die daar flauwgevallen aan de voeten van haar gedode zoon ligt waar de beulen nog omheen lopen te grijnzen. Of tegen de Koptische vrouwen in Egypte die we van de week gillend zagen huilen om hun vermoorde verwanten, vermoord door ook al zo’n joelende menigte die geestdriftig andersdenkenden ombrengt. Het is zo’n vreemde, verre troost. Niet hier, in dit leven, maar ooit, ergens, zullen de tranen afgewist worden. Hoe kan die gedachte zo succesvol geweest zijn?

Maar in gedachten hoor ik ook Borges: „Hij heeft ons een schitterende beeldspraak nagelaten en een leer van vergeving.” Vergeving, daar deden vroegere goden niet aan. Alleen aan vergelding.

Nicaragua, april 2017. Portret van Jezus in zaagsel. Foto Reuters

Het is bijna Pasen. Feest: na de verschrikking die ‘wij’ die man hebben aangedaan, moeten en kunnen we toch als nieuw verder gaan. Hij heeft ons deze grootste aller fouten vergeven, dat we stonden te juichen bij zijn executie, onze mond niet open durfden te doen toen hij beschuldigd werd, of dat we alleen maar keken naar dat gezicht dat we niet meer kunnen reproduceren. Zoals mensen altijd overal bij executies staan te kijken. Of snel verder lopen – „Ik wil dat niet zien.” Het er soms stiekem mee eens zijn maar het niet gedaan willen hebben – „Ik was mijn handen in onschuld”. Het ermee oneens zijn, maar niet durven protesteren.

Wie neemt het ons kwalijk. Wie vergeeft ons? Is daar een god voor nodig? Misschien is er de idee van goddelijke vergeving voor nodig.

De Joodse Etty Hillesum kon het, temidden van de verschrikkingen waarmee ze te maken kreeg tijdens de nazi-tijd: van de christelijke Duitser die haar afblafte, denken dat hij zijn eigen moeilijkheden had, dat hij ook maar gevangen zat in een systeem. Vader vergeef het hun, zij weten niet wat zij doen.

In burgeroorlogen staat er altijd iemand op die wil dat het afgelopen is, en die bereid is het verleden te laten rusten. In Zuid-Afrika deden mensen dat, allemaal heel gewone mensen. Geen goden. Het zijn altijd mensen die dat kunnen.

Niemand weet precies wat vergeving is. Het is zo’n hooggestemd woord, iets om aan de goden over te laten, precies zoals de man aan het kruis vroeg. Verzoening is goed genoeg. De vader wiens dochter in Baflo door haar vriend vermoord is, vertelde laatst in deze krant dat hij en zijn vrouw de moordenaar maandelijks opzoeken. Hij heeft samen met de jongen die zijn schoonzoon zou worden een boek geschreven over wat er gebeurd is. Het woord ‘vergeving’ wil hij niet gebruiken, omdat er ook nog een ander slachtoffer is. Maar wat hij en zijn vrouw doen, maakt wel een nieuw begin mogelijk.

Ik kijk naar het gezicht van de gewone Joodse jongeman die Rembrandt schilderde. Zomaar een gezicht. Stralende baby geweest. Misschien vreselijke dingen meegemaakt later. Zijn lijden vergalt ons plezier in het leven niet. Het troost ons al evenmin. Hij was zomaar een mens, maar wie weet waartoe hij in staat was.

Borges eindigt zijn gedicht met een vraag:

„Wat kan het mij baten dat die man

geleden heeft, als ik nu lijd?”

Onder de Joodse jongen kijkt Christus vriendelijk in de verte, elk oog een andere kant op. Hij ziet niemand in het bijzonder.