Column

Sip City

Georgina Verbaan

Hier volgt een langdradig sfeerverslag met een educatieve ondertoon vanuit Sip City. Ik sta hier in het hart van de stad. Het is koud, zo nu en dan steekt er een onverwacht gure wind op. Boven de hoofden van de paar aanwezigen, die achter verroeste dranghekken langs de kant van de weg staan te wachten op een frisse wind en een mager zonnetje, spellen dikke drachtige wolken ONHEIL in kapitalen.

Mijn oog valt op een vrouw die met haar broze rechterhand het vlammetje van een druipkaars beschermt die reeds vele jaren terug versmolten moet zijn met de hand en mouw van haar linkerarm. „Morgen”, zeg ik. Het is moeilijk maar wel belangrijk om als verslaggever van treurige zaken een zekere mate van objectiviteit te behouden en tegelijkertijd beleefdheid te betrachten zonder sturend te zijn. De vrouw haalt haar schouders op. „Ja, is het weer ochtend?” vraagt ze bijna onhoorbaar zonder haar blik van het vlammetje naar mij te verleggen. „Ja, mevrouw”, antwoord ik zo neutraal mogelijk. „Wat verwacht u van deze dag?”

Het is verleidelijk om je uit het veld te laten slaan en de toon van je onderwerp over te nemen, maar je moet in dit vak te allen tijde denken: ‘Verslaan, níét in meegaan.’ „Ik verwacht eigenlijk niks meer”, antwoordt de vrouw „Ik wacht alleen nog.” De opgedroogde snottebellen onder haar neusgaten worden voorzien van verse aanwas. Dat lijkt te duiden op een uitstekend functioneren van haar lichamelijke apparaat, maar is uiteindelijk natuurlijk maar een detail.

Bij een minder ervaren verslaggever zou in zo’n geval het hoofd vol hoop kunnen lopen waardoor hij of zij het grotere plaatje uit het oog verliest, en daarmee mogelijk ook een waslijst aan afwijkingen. „Waar wacht u dan precies op?” Vragen naar de bekende weg is geen doodzonde. Het kan helpen om de geïnterviewde aan de praat te krijgen. De vrouw zucht diep en blaast daarmee het vlammetje uit dat zij zo lang gekoesterd heeft. Ze is weg. In een plas op de plek waar ze even eerder nog stond, liggen haar witte wollen jas en de daarmee versmolten kaars. Het gaat dus ook weleens mis. Toch is het belangrijk je dit niet persoonlijk aan te trekken. Ook dan moet je door. Erger zou zijn wanneer je iets dergelijks sensationeels uit zou lokken, bijvoorbeeld door een subtiel uit je tas hangend touw mee te torsen. Dat zijn kwalijke zaken die zich uitsluitend lenen voor riooljournalistiek.

Maar laten we verder kijken. Een heel eind verderop staat een man in een zeer lokale regenbui. Ik ga erop af. Zijn armen hangen gelaten langs zijn lichaam, zijn hoofd achterover in zijn nek, en zijn opengesperde ogen houdt hij stoïcijns op de neerkletterende druppels gericht. „Huilt u?” vraag ik. „Nee”, zegt hij. „Dat kan ik niet meer. Maar dit voelt ongeveer hetzelfde.” „Waarom staat u hier?” De man schampert. „Waarom niet? Ik heb alles geprobeerd. Ik ging linksom, ik ging rechtsom. Maar ik kom altijd hier terecht.” Als dit een videoverslag zou zijn zou je kunnen uitzoomen om de man zielsalleen in zijn omgeving te zien staan. Daarna een kort shot van het straatnaambord en een fade-out. In een geschreven verslag, zoals dit, echter, kun je volstaan met de slotzin; Op het ondergescheten straatnaambord is met enige moeite te lezen ‘Plein van de Voldongen Feiten.’

Een volgend verslag zal ingaan op de stedenband van Sip City en Melancholia Meadows en het nut van professionele kledij voor de verslaggever ter plaatse, zoals thermisch ondergoed en zuidwesters.