Rustig afwachten was niets voor haar

Tineke de Vries (1943-2017) vond haar leven zeker niet voltooid, maar ze wilde wel dat er een einde aan kwam.

Tineke de Vries bleef lang reizen en etentjes organiseren.

Een rouwadvertentie wilde ze niet. Zonde van het geld, vond ze. Een mooie kaart kwam er wel. „Tien zal een van de weinigen zijn die haar eigen overlijdenskaart in enveloppen heeft gestopt”, zegt haar dochter Merel Heimens Visser. „Ze vond hem prachtig, het liefst wilde ze ’m aan iedereen laten zien. Ze mopperde wel een beetje over de typering ‘eigenzinnig’. ‘Eigenzinnig? Ik ben toch juist hartstikke meegaand?’”

Op 27 maart overleed Tineke de Vries. Ze pleegde euthanasie met hulp van de Levenseindekliniek. Voor haar omgeving was het geen verrassing. Tineke was iemand die wist wat ze wilde. Rustig de sloop van haar geest afwachten? Niets voor haar.

Ze werd geboren in Bloemendaal en groeide op in Huizen (Noord-Holland) als jongste dochter in een gezin met drie kinderen. Haar ouders scheidden toen ze een tiener was. Als puber stelde ze haar ouders voor menig uitdaging. Jongens, feestjes, erop uitgaan: ze hield van avontuur.

Haar studie Frans in Amsterdam zou ze niet afmaken. Er waren andere prioriteiten: reizen te maken, ervaringen op te doen. Met Eric Heimens Visser, haar jeugdliefde uit het Gooi, kocht ze begin jaren zeventig een boerderijtje in Etersheim, een gehucht aan het IJsselmeer. De Vries genoot van het buitenleven, in een schuur begon ze haar eigen antiekwinkel. In 1971 werd dochter Merel geboren. Maar het huwelijk hield geen stand: na een paar jaar gingen Tineke en Eric uit elkaar.

Haar tweede grote liefde leerde Tineke kennen via een contactadvertentie in NRC Handelsblad. Rob Nord was architect en meteen van haar onder de indruk, vertelt vriendin Agnes Evers. „Ze was helemaal zijn type. Goed geproportioneerd, heel vrolijk, brede belangstelling.” Op een gegeven moment, herinnert Merel Heimens Visser zich, vroeg Rob haar moeder elke week wel een keer ten huwelijk. „Na de zoveelste keer zei ze ‘ja’, misschien om er vanaf te zijn. Ze had wel een voorwaarde: dat de burgemeester van Den Haag hen persoonlijk zou trouwen. Rob liet zijn pen vallen en belde hem direct op.”

Op latere leeftijd besloot De Vries nog een opleiding tot docent te volgen. Ze werkte onder meer als lerares Nederlands, eerst in het basisonderwijs, later op ROC’s. Op woensdagen fietste ze vaak een rondje door de Schilderswijk om vaders ervan te overtuigen hun dochters eerst een diploma te laten halen en ze daarna pas uit te huwelijken. Ziekenhuizen en bedrijven die geen stageplaats hadden voor haar mentorleerlingen bezocht ze persoonlijk. Op zonnige terrasjes of aan de keukentafel hielp ze met het opstellen van sollicitatiebrieven of legde ze geduldig ’t kofschip nog eens uit.

In 2005 overleed haar echtgenoot. De laatste tien jaar van haar leven woonde De Vries in Delft, in een appartementje grenzend aan het huis van haar dochter. Ze bleef reizen en etentjes organiseren, één keer zette ze zelfs een borrel voor leuke vrijgezelle mannen op touw. Maar geleidelijk kwamen de ouderdomsklachten: voortdurende misselijkheid, benen die niet meer wilden. Toen De Vries voor het eerst aanklopte bij de Levenseindekliniek, kreeg ze tot haar frustratie te horen dat ze op grond van die klachten niets voor haar konden betekenen. Dat veranderde toen ze afgelopen december de diagnose Alzheimer kreeg.

De Vries was een nieuwsjunk die het publieke debat over hulp bij zelfdoding op de voet volgde, vertelt dochter Merel. Met de term ‘voltooid leven’ had ze moeite. „Ze zei: mijn leven is niet voltooid, mijn lijf is gewoon op.” Liever sprak ze van het ‘voortdurend inleversyndroom’, een term die volgens haar meer recht deed aan de harde werkelijkheid van permanente achteruitgang.

Op haar begrafenis werd het nummer ‘Laat me/Vivre’ van Wende Snijders gedraaid. „Ze zou op maandag overlijden, op zondag wilde ze per se de overlijdenskaarten de deur uit doen. ‘Mam’, zei ik, ‘Dan krijgen mensen ’m op maandag hè. Dan ben je dus nog niet dood.’ ‘Ja, en?’ reageerde ze. ‘Ik gá dan toch dood?’ Toen we die maandagmiddag nog even op een terrasje zaten zei ik tegen haar: ‘Tien, ik hoop niet dat we nu iemand tegenkomen die je kent, want die heeft de kaart dus al gehad.’ Het kon haar werkelijk niets schelen.”

Praten over zelfdoding kan bij de hulp- en preventielijn 0900 0113 (www.113.nl): ‘Zelfmoord? Praat erover’.