Column

Pass

Er zijn mensen die ‘de Paas’ zeggen. Ik vind dat altijd wel gezellig klinken. Mensen die ‘de Paas’ vieren, hebben denk ik paastakken en misschien ook wel een paasoutfit. Iets met wit en geel. Zelf zeg ik pasen, en verder dan een paasontbijt komt het dan ook niet bij mij.

Waar ik in deze tijd wel altijd onwillekeurig aan moet denken is mijn gymleraar van vroeger. Het was de jaren negentig en ik zat op het gymnasium. Dat betekende destijds dat gym er niet toe deed. De band Nirvana was in, dus iedereen had lang haar en niemand spieren. Gym werd algemeen geaccepteerd als een onbelangrijk vak, en de gymleraar was een onbelangrijke man.

De gymleraar trok zich van deze opvatting niets aan. Hij had een modern kapsel met gel-stekeltjes (in plaats van wat wij dus hadden, namelijk ‘geen kapsel’), een glimmend trainingspak en snelle gympen. Hij was een andere diersoort waar wij ons twee keer per week over konden verwonderen. Hij gaf ons serieuze cijfers voor bijvoorbeeld bokspringen, terwijl wij zulk soort oefeningen alleen vol ironie en zelfhaat konden doen. Epke Zonderland bestond nog niet.

Het lijkt mij heel erg om mensen, die niets willen, gymles te geven, maar deze gymleraar had echt passie voor de sport. Wij konden daar met onze onwil niets aan veranderen. Niet dat ik het toen besefte, maar daarmee heeft hij ons natuurlijk wel iets geleerd. Hij volgde zijn eigen pad en was immuun voor hoon.

We moesten van hem heel vaak basketballen. Ons probleem was dat we de bal maar zo’n beetje aan het stuiteren waren en nooit iemand anders bij het spel betrokken. Catullus vertalen doe je in je eentje, maar basketbal moet je samen doen. De gymleraar wilde dat we de bal overgooiden, een pass maakten. En het is in deze tijd dat ik daaraan terugdenk, omdat hij dan altijd met een mengeling van frustratie en fanatisme riep: „Pasen! Pasen!”

is cabaretier en schrijver.