Commentaar

Ons eigen Atlantis

‘Eenmaal bezeten van het idee naar Atlantis te gaan, ontdek je vanzelf dat alleen nog het gekkenschip die reis gaat maken.’ Zo dichtte ooit W.H. Auden, in zijn (Engelstalige) gedicht Atlantis (1941). En toch, echt ver weg hoeft zo’n verborgen land niet te liggen. Verderop in deze bijlage beschrijft Hester van Santen hoe voor de Nederlandse kust, ja al bij de vloedlijn, een prehistorisch Atlantis begint. De Noordzee is in de afgelopen miljoenen jaren vaker vruchtbaar land geweest dan de zoutwatervlakte van nu. In de zeebodem liggen overblijfselen van een onbekend West-Europees kerngebied, stroomgebied van grootse rivieren.

Wie bekommert zich om dat verzwolgen land? Audens Ship of Fools heeft die reis naar dit Atlantis nog niet gemaakt, maar wel werden al duizenden kilo’s opgeviste vondsten uitgesorteerd in een loods op Urk. De fascinerende geschiedenis van Noordzeeland is vooral boven water gebracht door van fossielen bezeten amateurs. Zoals de bekende douanier en ‘mammoetman’ Dick Mol, maar ook de scholier Ivan van Marrewijk, die langs de vloedlijn zoekt. Inmiddels wendt ook de wetenschappelijke archeologie de blik naar de zeebodem.

Uitvoerige exploratie zal verbeelding niet hinderen. In Sarum (1987) beschrijft Edward Rutherfurd al hoe ijstijdjagers zoeken naar een mythisch ‘Zuidelijk Woud’. Na een barre tocht arriveren ze: nog slechts een paar bomen steken boven de golven uit. De ijstijd is definitief voorbij.